Wetenschappelijk tijdschrift voor psychiaters, artsen in opleiding tot psychiater en andere geïnteresseerden
  • EN
  • NL
Tijdschrift voor Psychiatrie
  • Tijdschrift
  • Terug naar hoofdmenu
    Nieuwe artikelen Huidige nummer Vorige nummers Themanummers Boekbesprekingen
    Auteursrichtlijnen Over het tijdschrift Redactie Abonnementen Colofon Adverteren
    Huidige nummer
    Nummer 8 / 2026 Jaargang 68
    Tijdschrift voor Psychiatrie
    8 / 2026

    Huidige nummer
  • Accreditatie
  • Meetinstrumenten
  • Vacatures
Edit
  • EN
  • NL
  1. Home
  2. Huidige nummer
  3. De psychische nasleep van COVID-19
Wetenschapsnieuws

De psychische nasleep van COVID-19

S. Stougie
Vorig artikel Volgend artikel

De COVID-19-pandemie leidde niet alleen tot een acute gezondheidscrisis, maar had ook een langdurige psychische en neurobiologische nasleep. Recente studies beschrijven hoe infectie, chronische stress en sociale ontregeling samenhangen met veranderingen in stresssystemen, stemming, cognitie, en traumagerelateerde klachten.

Post-COVID-depressie vaker lichamelijk gekleurd

Depressieve klachten worden regelmatig beschreven na COVID-19, vaak samen met vermoeidheid, cognitieve klachten en verhoogde ontstekingsmarkers. Pepe en collega's gingen na of depressieve episoden na COVID-19 klinisch en biologisch verschillen van depressieve episoden zonder voorafgaande SARS-CoV-2-infectie. De resultaten verschenen in Journal of Affective Disorders.1

Aan deze crosssectionele studie namen 209 volwassenen met een matige tot ernstige depressieve episode deel. Bij 98 van hen (46,9%), de post-COVID-groep, waren de klachten ontstaan binnen 6 maanden na een PCR-bevestigde SARS-CoV-2-infectie. De overige 111 patiënten vormden de niet-post-COVID-groep. De auteurs verzamelden klinische kenmerken, lichamelijke en cognitieve symptomen, en ontstekingsmaten op basis van bloedbeeld, waaronder de Systemic Immune-Inflammatory Index (SII).

De post-COVID-groep had vaker een eerste depressieve episode (40,2% vs. 19,4%; p = 0,001) en een hogere leeftijd bij de eerste episode (41,5 vs. 34,4 jaar; p = 0,006). Ook het klachtenpatroon verschilde: de post-COVID-groep rapporteerde meer lichamelijke symptomen op HDRS- en HARS-items (Hamilton Depression (HDRS) en Anxiety Rating Scale (HARS)) en meer subjectieve cognitieve klachten op de Perceived Deficits Questionnaire-Depression (PDQ-D5). Verder had deze groep hogere ontstekingsmarkers.

In logistische regressie gingen meer lichamelijke HDRS-symptomen (oddsratio (OR): 1,92) en een hogere SII (OR: 1,01) samen met post-COVID-19-depressie. Het model kon post-COVID-19-depressie in deze steekproef goed onderscheiden van niet-post-COVID-19-depressie (AUC = 0,921).

De auteurs concluderen dat inflammatoire processen mogelijk een rol spelen in de sterkere samenhang tussen lichamelijke symptomen en post-COVID-19-depressie. Deze karakterisering kan volgens hen helpen bij de keuze voor behandelingen die zich richten op afzonderlijke symptomen. Om uit te vinden of inflammatoire biomarkers mogelijk bruikbaar zijn om na een SARS-CoV-2-infectie patiënten met een grotere kwetsbaarheid voor depressie te herkennen, is multicentrisch longitudinaal onderzoek nodig.

Literatuur

1 Pepe M, Di Nicola M, Mandracchia G, e.a. Physical symptoms and inflammatory levels characterize post-COVID-19 depressive episodes compared to non-post-COVID-19 depression. J Affect Disord 2025; 383: 410-6.

Minder herbelevingen bij zorgmedewerkers na digitale interventie

Zorgmedewerkers maakten tijdens de COVID-19-pandemie herhaaldelijk potentieel traumatische gebeurtenissen mee. Intrusieve herinneringen, vaak in beeldvorm en ongewild opkomend, komen in deze groep relatief vaak voor. Omdat zorgmedewerkers door wisseldiensten en druk op de zorg moeilijk toegang hebben tot bestaande traumabehandelingen, onderzochten Beckenstrom en collega’s een korte, schaalbare digitale interventie die beter in hun werkpraktijk past. De resultaten verschenen in The Lancet Psychiatry.1

De auteurs includeerden 99 deelnemers die tijdens de pandemie als zorgmedewerker hadden gewerkt met COVID-19-patiënten. Zij hadden ten minste één werkgerelateerde traumatische gebeurtenis meegemaakt en rapporteerden voorafgaand aan het onderzoek minimaal drie intrusieve herinneringen per week; een volledige PTSS-diagnose was niet vereist.

Zij werden random verdeeld over drie groepen: een imagery competing taskinterventie (ICTI; n = 40) waarbij ze een intrusieve herinnering ophaalden en vervolgens 20 minuten Tetris met mentale rotatie speelden. Mentale rotatie is het in gedachten draaien van een vorm of voorwerp om te beoordelen hoe het er vanuit een andere hoek uitziet. De actieve controlegroep (n = 39) luisterde naar een podcast over Mozart gevolgd door 20 minuten muziek. Beide actieve groepen kregen één begeleide sessie; daarna was zelfgebruik optioneel en vergelijkbaar. De derde groep (n = 20) ontving gebruikelijke zorg.

Na 4 weken rapporteerde de ICTI-groep veel minder intrusieve herinneringen dan beide controlegroepen; mediaan 0,5 per week versus 5,0 in beide controlegroepen. Bayesiaanse analyse leverde sterke aanwijzingen voor een effect van ICTI ten opzichte van de actieve controle (bayesfactor (BF) = 114,1) en gebruikelijke zorg (BF = 15,8). Bij de follow-up na 12 en 24 weken waren de meeste deelnemers in de ICTI-groep vrij van intrusieve herinneringen; ook PTSS-klachten namen sterker af na ICTI.

De resultaten sluiten volgens de auteurs aan bij de theorie dat een visueel-ruimtelijke taak na het oproepen van een intrusieve herinnering kan concurreren met het opnieuw opslaan daarvan. Zij noemen ICTI veelbelovend voor het beperken van psychische gevolgen van trauma.

Literatuur

1 Beckenstrom AC, Bonsall MB, Markham A, e.a. A digital imagery-competing task intervention for stopping intrusive memories in trauma-exposed health-care staff during the COVID-19 pandemic in the UK: a Bayesian adaptive randomised clinical trial. Lancet Psychiatry 2026; 13: 233-47.

Prenatale maternale angst hangt samen met negatieve affectiviteit bij baby’s

Tijdens de COVID-19-pandemie namen angst- en depressieve klachten tijdens de zwangerschap toe. Omdat prenatale stress en psychische klachten in verband zijn gebracht met de sociaal-emotionele en hersenontwikkeling van kinderen, onderzochten Di Paolo e.a. of stress en psychische klachten bij zwangeren tijdens de pandemie samenhingen met hersenvolumes en temperament bij baby’s. Translational Psychiatry publiceerde de resultaten.1

De studie maakte deel uit van de Canadese prospectieve longitudinale cohortstudie Pregnancy during the COVID-19 Pandemic. De auteurs includeerden 100 moeder-kindparen (gem. leeftijd moeder 33,3 jaar; SD: 4,33). Tijdens de zwangerschap werden objectieve pandemiegerelateerde belasting, ervaren stress, angst- en depressieve klachten gemeten met vragenlijsten. De objectieve belasting omvatte concrete gevolgen van de pandemie, zoals verlies, gezondheidsdreiging en veranderingen in werk, dagelijks leven, sociale contacten en prenatale zorg. Bij de baby’s werd op de leeftijd van 3 maanden een MRI-scan gemaakt, met aandacht voor volumes van amygdala en prefrontale cortex. Op de leeftijd van 6 maanden vulden de ouders een vragenlijst in over het temperament van hun baby, waaronder negatieve affectiviteit (bijvoorbeeld treurigheid, angst of snel van streek zijn).

De onderzoekers vonden geen samenhang tussen objectieve pandemiebelasting en ervaren stress enerzijds, en amygdala- en prefrontale-cortexvolumes anderzijds. Wel hing een hogere prenatale angst bij de moeder samen met een kleiner linker-amygdalavolume op 3 maanden bij de baby (B = -5,919; p = 0,016; 95%-BI: -10,748--1,089), onafhankelijk van prenatale stress. Een kleiner linker-amygdalavolume hing samen met meer negatieve affectiviteit op de leeftijd van 6 maanden (B = -0,003; p = 0,002; 95%-BI: -0,006--0,001). Het volume van de rechter amygdala en van de prefrontale cortex hingen niet samen met temperament. De post-hocmediatieanalyse was niet significant: het volume van de linker amygdala verklaarde geen samenhang tussen prenatale angst en negatieve affectiviteit.

Volgens de auteurs kan screening op prenatale angst helpen om zwangeren te identificeren bij wie extra ondersteuning mogelijk relevant is voor de vroege ontwikkeling van de baby.

Literatuur

1 Di Paolo AL, Nichols ES, Tomfohr-Madsen L, e.a. The association between prenatal maternal anxiety, infant brain volumes, and temperament during the COVID-19 pandemic. Transl Psychiatry 2025; 15: 283.

Verslechtering van biologische stressmarkers bij adolescenten na lockdowns

De adolescentie is een sensitieve periode waarin endocriene, immunologische en neurale systemen sterk veranderen en mogelijk extra kwetsbaar zijn bij langdurige stress. Tijdens de COVID-19-pandemie nam emotionele problematiek bij adolescenten sterk toe; over de impact van pandemiegerelateerde stress op het neurobiologische functioneren is veel minder bekend. Yuan en collega’s vergeleken drie stressgevoelige biologische systemen bij twee groepen adolescenten; de ene werd voor, de andere na een lockdown onderzocht. De resultaten verschenen in Translational Psychiatry.1

De gegevens van 154 adolescenten (gem. leeftijd 16,2 jaar; 57,8% vrouw) uit een Amerikaanse cohortstudie naar de psychobiologische effecten van vroege stress werden gebruikt. Een prepandemische groep (n = 76) werd vergeleken met een groep die gemiddeld 1,08 jaar na het begin van de lockdowns werd onderzocht (n = 78). De groepen waren vergelijkbaar in leeftijd, sekse, sociaaleconomische achtergrond, puberteitsstadium en blootstelling aan vroege stress; de postlockdowngroep had wel een hogere BMI. Slechts één deelnemer had een SARS-CoV2-infectie gehad.

De onderzoekers maten het diurnale cortisol, de immuunrespons middels C-reactief proteïne (CRP) en de neurale respons in de prefrontale cortex middels fMRI-metingen en voerden een permutatie-MANCOVA uit. Omdat deze overallanalyse significant was, deden zij daarna per uitkomst een afzonderlijke permutatie-ANCOVA.

De postlockdowngroep had een lagere totale cortisolproductie (pseudo-F(1,625) = 9,52; p = 0,002), hogere CRP-waarden (pseudo-F(1989) = 48,79; p < 0,001) en lagere hersenactiviteit in de prefrontale cortex tijdens de verwerking van emotionele informatie.

Volgens de auteurs wijzen de resultaten mogelijk op veranderingen in stressregulatie, immuunfunctie en emotieverwerking bij adolescenten na lockdowns. Dit zou op langere termijn kunnen samenhangen met een grotere kwetsbaarheid voor lichamelijke en psychische problemen. Dat blijft echter speculatief en is in deze studie niet rechtstreeks onderzocht.

Literatuur

1 Yuan JP, Borchers LR, Lee Y, e.a. The effects of the COVID-19 pandemic on neurobiological functioning in adolescents. Transl Psychiatry 2025; 15: 276.

 

Download PDF
Twitter Facebook LinkedIn Mail WhatsApp

Auteurs

Suzanne Stougie, wetenschapsredacteur

 

Citeren

Tijdschr Psychiatr. 2026;68(08):411-412

Editie

Dit artikel is onderdeel van: Editie 2026/8
Uitgave van de Stichting Tijdschrift voor Psychiatrie waarin participeren de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie en de Vlaamse Vereniging voor Psychiatrie.

Over TvP

Over het tijdschrift Redactie Auteursrichtlijnen Colofon
Abonnementen Abonnee worden Adverteren

Contact

Redactiebureau Tijdschrift voor Psychiatrie
drs. S.L. (Lianne) van der Meer
Telefoon: 030 899 00 80
info@tijdschriftvoorpsychiatrie.nl

Copyright

Redactie en uitgever zijn niet aansprakelijk voor de inhoud van de onder auteursnaam opgenomen artikelen of van de advertenties. Niets uit dit tijdschrift mag openbaar worden gemaakt door middel van druk, microfilm of op welke wijze ook, zonder schriftelijke toestemming van de redactie.

© copyright 2026 Tijdschrift voor Psychiatrie