Reactie op: ‘Jongeren met een euthanasieverzoek op grond van psychisch lijden: ‘nu niet’ als uitgangspunt’ (2)
In hun essay pleiten Zinkstok e.a. voor een basishouding van nu niet voor jongeren met een euthanasiewens tot 25 jaar.1 De auteurs willen vanuit die benadering het open gesprek met de jongeren aangaan, hun vertrouwen winnen en hen motiveren voor (herstelgerichte) behandeling. Deze benadering haalt weliswaar druk weg bij behandelaren, maar haalt ook de gelijkwaardigheid uit de behandelrelatie. Het perspectief van de jongeren zelf en hun naasten wordt in dit essay niet meegenomen. Daarmee missen de auteurs een kans om echt het gesprek aan te gaan, zoals ze bepleiten in hun artikel. In de praktijk zijn de behoedzaamheid en de terughoudendheid bij psychiaters eerder te groot dan te klein, is de ervaring van vele patiënten, naasten en nabestaanden.
Leeftijd
Volgens de Nederlandse wet worden jongeren vanaf 18 jaar bevoegd en geschikt geacht om zelfstandig alle rechtshandelingen te verrichten en beslissingen te nemen. Het hanteren van 25 jaar als uitgangspunt voor een ‘nu niet’-benadering staat op gespannen voet met de grondrechten van jongvolwassenen en impliceert dat ze collectief onvoldoende wilsbekwaam ter zake zouden zijn. De gedachte dat zij in het algemeen nog niet in staat zijn hun medische situatie te beoordelen en een (wilsbekwaam) euthanasieverzoek te doen is in strijd met de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl) en de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO). Er is geen goede reden om voor medische beslissingen rond het levenseinde andere maatstaven aan te leggen.
Uitzichtloosheid
Zinkstok e.a. stellen dat jongeren vaak kort in behandeling zijn, vergeleken met volwassenen, die soms pas na decennia om euthanasie vragen. Dit lijkt logisch, maar uit onderzoek blijkt dat dit niet geldt voor de enkele tientallen jongeren die tot nu toe euthanasie kregen.2 Zij kampten al vele jaren met een persisterende doodswens en hadden een lange, niet succesvolle en traumatische behandelgeschiedenis. Sommige jongeren besluiten na afwijzing van hun euthanasieverzoek of een te lang durend traject zelf een einde aan hun leven te maken, door te stoppen met eten en drinken of andere, veelal nare zelfdodingsmethoden. Dat heeft een enorme impact op de nabestaanden, die achterblijven met onbeantwoorde vragen en gevoelens van schuld en verdriet.
Zoals de auteurs in hun essay terecht beschrijven, lijkt vooral de behandelgeschiedenis van belang om de uitzichtloosheid te bepalen en de herstelmogelijkheid te voorspellen. Daarom moet men niet de leeftijd als criterium gebruiken, maar de kwaliteit van behandelingen en de duur en de ernst van het lijden.
Ondraaglijkheid
De auteurs pleiten in de ‘nu niet’-benadering voor een periode van relatieve rust (vertragen en verdragen) om vervolgens herstelgerichte behandelopties centraal te stellen, mogelijk met inzet van ervaringsdeskundigen. In deze redenering houdt men geen rekening met de beleving van de jongeren zelf en die van hun naasten. In de praktijk zijn jongeren met een euthanasiewens vaak al op een punt beland dat ze geen behandeling of begeleiding meer willen of aankunnen, doordat ze fysiek en mentaal uitgeput zijn. Een ‘nu niet’-benadering zullen zij voelen als een afwijzing en deze zal hun wanhoop alleen maar doen toenemen. Als ouders, die hun kind veel beter kennen dan behandelaars, dat bevestigen en na jaren worstelen de wens om te overlijden steunen, moet je de ondraaglijkheid van het lijden heel serieus nemen.
Praktijk van de ggz
In de praktijk worden patiënten, niet alleen jongeren, vaak geweigerd voor behandeling in de specialistische ggz als ze een euthanasiewens hebben. Dat is een veel groter probleem waar we liever aandacht voor vragen dan voor de discussie over een leeftijdsgrens. De jongeren voelen zich door de houding ‘vertragen en verdragen’ minder in plaats van meer serieus genomen. Je kunt als behandelaar pas vertrouwen krijgen van jongeren met een euthanasiewens als je echt naast hen blijft staan, expliciet de bereidheid uitspreekt om de wens te onderzoeken en deze zo nodig ook te honoreren.
Literatuur
1 Zinkstok J, van Gurp J, Hein I, e.a. Jongeren met een euthanasieverzoek op grond van psychisch lijden: ‘nu niet’ als uitgangspunt’. Tijdschr Psychiatr 2026; 68: 183-8.
2 Schweren LJS, Rasing SPA, Kammeraat M, e.a. Requests for medical assistance in dying by young Dutch people with psychiatric disorders. JAMA Psychiatry 2025; 82: 246-52.
Auteurs
Marcel Mennen, voorzitter bestuur Stichting KEA (Kenniscentrum Euthanasie bij psychische Aandoeningen).
Kit Vanmechelen, bestuurslid KEA en psychiater.
Arjan Geelhoed, coördinator artsennetwerk en kinder- en jeugdpsychiater.
Namens Stichting KEA.
Correspondentie
Kit Vanmechelen (k.vanmechelen@stichtingkea.nl).
Geen strijdige belangen gemeld.
Citeren
Tijdschr Psychiatr. 2026;68(06):333-333