Herstelgericht denken weerspiegeld in intakeverslagen
Achtergrond De herstelondersteunende intake (HOI) is binnen de ggz ontwikkeld om vanaf het begin van de behandeling aandacht te besteden aan herstel, met nadruk op het persoonlijke domein naast de gebruikelijke focus op biologische, psychologische en sociale domeinen. De vraag is of dit zich vertaalt naar de verslaglegging van de intake.
Doel Vergelijken van de HOI met de reguliere intake (RI) op aandacht voor genoemde domeinen van mentale gezondheid, de mate van integratie van informatie tot casusconceptualisatie, en de kwaliteit en focus van behandeldoelen.
Methode In een retrospectief dossieronderzoek beoordeelden we met gevalideerde schalen 60 intakeverslagen (30 HOI en 30 RI) op gedetailleerdheid per domein, integratie van informatie en kwaliteit van behandeldoelen.
Resultaten HOI- en RI-verslagen bevatten een vergelijkbare mate van detail over de biologische, psychologische en sociale domeinen. Het persoonlijke domein kwam in de HOI vaker aan bod, maar meestal geïsoleerd. Tegen de verwachting in werd de integratie van domeinen hoger beoordeeld bij de HOI. De kwaliteit van behandeldoelen verschilde niet significant, maar HOI-doelen waren vaker gericht op persoonlijke groei en klachten (26,7% vs. 6,7%), terwijl RI-doelen vaker beperkt bleven tot symptomen (36,7% vs. 16,7%).
Conclusie De HOI biedt meer aandacht voor het persoonlijke domein en laat een hogere mate van integratie zien, zonder verlies van aandacht voor andere domeinen. Krachten worden echter vaak geïsoleerd benoemd en sociaal-maatschappelijke doelen blijven onderbelicht.
Binnen de geestelijke gezondheidszorg (ggz) vormt de intake doorgaans het eerste contact tussen cliënt en hulpverlener(s). De aard en kwaliteit van de verzamelde informatie spelen een cruciale rol in het diagnostisch proces, de casusconceptualisatie, de therapeutische alliantie en het verloop van de behandeling.1,2 Een gebrekkig intakeproces vergroot het risico op een onjuiste interventie, wat de kans op een gunstige behandeluitkomst kan verminderen.3 Ondanks het belang van de intake is er weinig onderzoek gedaan naar de inhoudelijke kwaliteit van de verzamelde informatie en de mate waarin deze wordt geïntegreerd voor een passende interventie.4 Deze studie is gericht op de inhoudelijke kwaliteit van twee verschillende typen intakes.
Biopsychosociaal model
Een veelgebruikte benadering voor het begrijpen van zowel fysieke als mentale ziektes, en voor het ontwikkelen van een casusconceptualisatie, is het biopsychosociale (BPS) model.5 In plaats van ziekte uitsluitend biologisch te verklaren, benadrukt men bij het BPS model de interactie tussen biologische, psychologische en sociale factoren bij gezondheid en ziekte.5,6 Hoewel de integratie van deze factoren breed wordt erkend en veel wordt gebruikt in de klinische praktijk, is er ook kritiek.7-9 In het model zou men te weinig aandacht besteden aan de persoonlijke beleving van cliënten en hun betekenisgeving aan emoties en ervaringen.10-12 Vooral voor cliënten met langdurige mentale of fysieke klachten, waarbij volledig herstel niet mogelijk is, kan het centraal stellen van persoonlijke betekenisgeving bijdragen aan een betere kwaliteit van leven.
Herstelondersteunende intake
Om beter aan te sluiten bij de persoonlijke ervaringen van cliënten en een herstelgerichte benadering vanaf het begin te waarborgen, werd in 2017 binnen GGZ Noord-Holland-Noord (GGZ-NHN) de herstelondersteunende intake (HOI) ontwikkeld. Naast de regiebehandelaar en coördinerend behandelaar neemt ook een ervaringsdeskundige deel aan de intake. De ervaringsdeskundige biedt hoop, bevordert empowerment en ondersteunt cliënten bij hun herstelproces, met nadruk op mogelijkheden en krachten in plaats van beperkingen. Hierbij wordt collectieve ervaringskennis als derde kennisbron toegevoegd naast wetenschappelijke en praktische kennis (Waterhout e.a., onuitgegeven handleiding HOI, 2021).
De HOI is expliciet gericht op krachten, doelen en talenten van cliënten, met als doel hun ondersteuning te bieden bij het leven dat zij ondanks psychische of lichamelijke klachten wensen te leiden. De HOI is gebaseerd op vier aanvullende principes: persoonlijke diagnostiek, positieve gezondheid, motiverende gespreksvoering en gedeelde besluitvorming (supported decision making) (zie tabel 1 voor toelichting).13,14 In tegenstelling tot het BPS model ligt binnen de HOI meer nadruk op het narratief van de cliënt: zijn of haar persoonlijke verhaal dat inzicht geeft in de context van de klachten en handvatten biedt voor behandeling. Diagnostiek wordt daarbij opgevat als een proces van gezamenlijk begrijpen wat er aan de hand is. Dit betekent echter niet dat er bij de HOI geen aandacht is voor biologische, psychologische en sociale factoren; deze blijven een belangrijk onderdeel van de intake.
Tabel 1. Uitleg principes van de herstelondersteunende intake (HOI)
|
HOI-principes |
Toelichting |
|---|---|
|
Persoonlijk herstel |
Herstel wordt gezien als een multidimensioneel proces: symptomatisch, maatschappelijk en persoonlijk herstel. Het doel is cliënten te ondersteunen bij een betekenisvol leven, met nadruk op eigen regie en kracht in plaats van enkel symptoombestrijding.15,16 Het proces verloopt dynamisch in vijf stadia: uitstel, bezinning, voorbereiding, reconstructie en groei.17 Bereidheid wordt beïnvloed door factoren zoals symptoomernst, eerdere ervaringen en medicatie. Steeds meer aandacht gaat uit naar zelfmanagement en sterke kanten, geïnspireerd door positieve psychologie. |
|
Persoonlijke diagnostiek |
De intake richt zich op de vier vragen van Van Os: ‘Wat is er gebeurd?’, ‘Wat zijn je kwetsbaarheden en weerbaarheid?’, ‘Waar wil je naartoe?’ en ‘Wat heb je nodig?’.18 Deze vragen structureren het gesprek inhoudelijk, waarbij volgorde en nadruk worden afgestemd op het verloop van het contact. Ze sluiten aan bij domeinen van persoonlijk herstel, zoals verbondenheid, hoop en zingeving.19 Daarnaast worden klachten en krachten in kaart gebracht via dimensionele instrumenten en DSM-5-classificatie, conform de ggz-zorgstandaarden.20 |
|
Positieve gezondheid |
Positieve gezondheid wordt gedefinieerd als ‘het vermogen om zich aan te passen en eigen regie te voeren, in het licht van fysieke, emotionele en sociale uitdagingen van het leven’.21 Deze benadering benadrukt dat gezondheid meer is dan de afwezigheid van ziekte en is gericht op fysiek, emotioneel en sociaal functioneren. |
|
Motiverende gespreksvoering |
Motiverende gespreksvoering is een persoonsgerichte communicatiestijl die motivatie versterkt en verandering ondersteunt.22 Met deze methode benadrukt men gelijkwaardig partnerschap, compassie en acceptatie. Door doelen en waarden te verkennen, worden persoonlijke motieven aangesproken en wordt zelfsturing bevorderd. |
|
Gedeelde besluitvorming (supported decision making; SDM) |
Tijdens de intake staat het ondersteunen van de cliënt bij het nemen van eigen beslissingen centraal. Het proces omvat drie stappen: keuzes introduceren, opties bespreken en voorkeuren verkennen.23 Soms wordt het netwerk betrokken. Vanuit mensenrechtenperspectief benadrukt SDM de keuzevrijheid van de cliënt.24 |
Vergelijking met reguliere intake
Het belangrijkste verschil tussen HOI en reguliere intake (RI) is de aanwezigheid van een ervaringsdeskundige en het gebruik van een specifieke handleiding als achterliggend kader bij de HOI, die bij de RI ontbreken. Hoewel beide intakevormen diagnostische verkenning omvatten, ligt bij de RI sterker de nadruk op systematische klachteninventarisatie en classificerende diagnostiek, terwijl de HOI vorm krijgt vanuit een narratieve benadering waarin klachten en krachten gezamenlijk worden verkend. In eerder onderzoek binnen GGZ-NHN werden de HOI en RI vergeleken vanuit het perspectief van cliënten en intakers (Nugter & Engelsbel, onuitgegeven intern document, 2019).14 Ondanks de eerder genoemde verschillen rapporteren cliënten geen verschil in hun intakewaardering (Nugter & Engelsbel, 2019) of in de toepassing van de HOI-principes. HOI-intakers daarentegen ervaren de HOI als meer cliëntgericht en herstelgericht dan RI-intakers.14 Een mogelijke verklaring hiervoor is dat intakers bekend zijn met de methodiek, terwijl cliënten hun oordeel vooral baseren op de mate waarin ze zich gehoord voelen en de ruimte ervaren om hun zorgbehoeften te delen.
Onderzoeksvragen
Hoewel eerder onderzoek inzicht biedt in de perceptie van cliënten en intakers, blijft onduidelijk of verschillen tussen de intakevormen zich vertalen naar de inhoud van intakeverslagen. Het objectief beoordelen van die verslaglegging is belangrijk, omdat vastgelegde informatie richting geeft aan diagnostiek, casusconceptualisatie en behandeldoelen. Dit onderzoek is gericht op de vraag in hoeverre de HOI resulteert in een ‘rijker’ intakeverslag dan de RI. Met ‘rijker’ bedoelen we dat er in de verslaglegging aandacht is voor alle vier domeinen van mentale gezondheid: het biologische, psychologische, sociale en persoonlijke domein. Dit onderzoeken we aan de hand van vier onderzoeksvragen:
– In hoeverre verschilt de HOI van de RI in de detaillering van de verzamelde informatie over de biologische, psychologische, sociale en persoonlijke domeinen?
Verwacht wordt dat de HOI gedetailleerdere informatie oplevert over het persoonlijke domein, terwijl er voor de overige domeinen geen verschillen worden verwacht.
– In hoeverre verschilt de HOI van de RI in de integratie van deze informatie tot een casusconceptualisatie?
Er wordt geen verschil verwacht tussen de intakevormen, omdat de mate van integratie vooral bepaald wordt door de professionele vaardigheden van de intaker.
– In hoeverre verschillen de HOI en de RI in de kwaliteit van het geformuleerde behandeldoel?
HOI-intakers zijn zich mogelijk meer bewust van het aanbod op de Herstelacademie, een ontmoetingsplek waar cliënten cursussen kunnen volgen over emotieverwerking, herstelprocessen en zingeving. Omdat dit aanbod verder reikt dan uitsluitend klachten, is de verwachting dat behandeldoelen vaker meerdere domeinen beslaan en dat de kwaliteit daardoor positief wordt beïnvloed.
– Verschillen de hersteldomeinen waarop de behandeldoelen zich richten bij de HOI in vergelijking met de RI?
Verwacht wordt dat behandeldoelen binnen de HOI breder georiënteerd zijn, met aandacht voor persoonlijke groei, existentiële vragen, welzijn en interpersoonlijke relaties, terwijl de RI-behandeldoelen zich waarschijnlijk meer richten op symptoomreductie.
Methode
Onderzoeksopzet
Er werd een retrospectief vergelijkend dossieronderzoek uitgevoerd op intakeverslagen van 30 RI- en 30 HOI-cliënten (januari 2020-januari 2022). De selectie vond per intakevorm gerandomiseerd plaats, gestratificeerd naar sekse (2), leeftijd (tertielen; 18-28, 29-42, 43+) en intakejaar (2), resulterend in 12 strata met binnen elk stratum gelijke aantallen tussen intakevormen.
Deelnemers
In aanmerking kwamen cliënten van de specialistische ggz (s-ggz) tussen 18-65 jaar met minimaal één intake in de onderzoeksperiode. Spoed- en crisisintakes werden geëxcludeerd.
Meetinstrumenten
Er werd een aangepaste versie van het Biopsychosocial Framework Comprehensiveness Form gebruikt om biologische, psychologische en sociale aspecten (BPS) in de intakeverslagen te beoordelen.4 Een expertgroep (onderzoeker, drie ervaringsdeskundigen en een klinisch psycholoog van GGZ-NHN) breidde het oorspronkelijke formulier uit van 25 naar 40 aspecten op basis van klinische en ervaringskennis over thema’s die tijdens intakes aan bod komen, en voegde het persoonlijke domein toe, waarmee het BPSP beoordelingsformulier ontstond (zie onlinebijlage I). Per aspect werd vastgelegd of hierover informatie in het dossier aanwezig was (1) of niet (0).
De mate van gedetailleerdheid van de beschreven aspecten werd beoordeeld met de Gedetailleerdheidsschaal (onlinebijlage II), een vertaling van de Detail and Comprehensiveness Scale.4 Aspecten kregen een score van 0 (niet genoemd) tot 4 (volledig beschreven, inclusief voor- en nadelen). Het biologische domein omvat 2 aspecten (score 0-8), het psychologische 22 (score 0-88), het sociale 14 (score 0-56) en het persoonlijke 2 (score 0-8). Hoe hoger de domeinscore, hoe gedetailleerder de verzamelde informatie.
De integratie van intakegegevens tot een casusconceptualisatie werd beoordeeld met de Integratieschaal (zie onlinebijlage III), een aangepaste versie van de Psychiatric Residents’ Case Formulation Scoring Rubric.25 De mate van integratie werd gescoord op een vijfpuntsschaal van 0 (elementaire informatie ontbreekt) tot 4 (krachten en zwaktes van cliënt per domein duidelijk beschreven, met toelichting over hoe deze worden benut of aangepakt).
Om de kwaliteit van de behandeldoelen te meten, ontwikkelde de expertgroep speciaal voor deze studie een behandeldoelschaal (zie onlinebijlage IV). De behandeldoelen werden beoordeeld op een vijfpuntsschaal van 0 (te algemeen of aspecifiek geformuleerd) tot 4 (geïntegreerde, specifieke en meetbare doelen, met prioriteiten en een duidelijke beschrijving van hoe de doelen bereikt kunnen worden).
Om de focus van de behandeldoelen te onderzoeken, deelden we deze in in vijf hersteldomeinen, gebaseerd op Holtforth en Grawe: 1. klachten + symptomen, 2. interpersoonlijk functioneren, 3. welzijn + functioneren, 4. persoonlijke groei, en 5. existentiële vraagstukken.26 Op basis van deze domeinen waren 32 verschillende behandeldoelprofielen mogelijk, bijvoorbeeld een hersteldoel op het domein persoonlijke groei, maar niet op de overige.
Procedure
De hoofdonderzoeker beoordeelde alle intakeverslagen. Een tweede onderzoeker scoorde een deel van de verslagen ter controle van de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid (IBB). De onderzoekers, blind voor de conditie van de cliënt, oefenden gezamenlijk met de beoordelingsschalen (zie meetinstrumenten) en beoordeelden vervolgens onafhankelijk twee oefenverslagen. Op basis daarvan werd een eerste IBB-score berekend, volgens de methode van Babbie.27 Na bespreking van verschillen oefenden zij totdat de scores maximaal één punt van elkaar verschilden, het vooraf vastgestelde criterium voor voldoende overeenstemming.4 De op deze oefenverslagen gebaseerde IBB werd niet meegenomen in de uiteindelijke IBB-berekening. Na deze betrouwbaarheidstraining beoordeelde de tweede onderzoeker 2 van elke 10 opeenvolgende intakeverslagen om de betrouwbaarheid gedurende het beoordelingsproces te bewaken. In totaal scoorde zij 12 van de 60 dossiers (20%).
Een bestand met de geanonimiseerde intakeverslagen, waaruit alle identificerende gegevens, inclusief het woord ‘HOI’, waren verwijderd, werd opgeslagen in een beveiligde map die uitsluitend toegankelijk was voor medewerkers van de onderzoeksafdeling. Elk cliëntdossier bevatte minimaal één telefonische screening en één of twee intakeverslagen. De beoordeling vond plaats op het geheel van screening- en intakeverslagen per cliënt, niet per verslag. Bij cliënten met een HOI betrof het altijd één HOI-gesprek en eventueel aanvullende RI’s. Dit vormde een methodologische beperking, omdat deze cliënten niet uitsluitend op de HOI werden beoordeeld. Toch werd verwacht dat de nadruk van de HOI op het persoonlijke domein zich in de verslaglegging zou weerspiegelen. Extra reguliere gesprekken leiden immers niet automatisch tot meer focus op persoonlijke aspecten.
Data-analyse
De vergelijkbaarheid van de HOI- en RI-groepen werd onderzocht op demografische en klinische kenmerken met onafhankelijke t-toetsen of, bij schending van aannames, mann-whitney-toetsen; categorische variabelen met χ2-toetsen. Verschil in het aantal behandelcontacten werd geanalyseerd met negatief-binomiale regressie.
De IBB werd berekend voor 12 cliënten op basis van de correlatie (Spearmans rho) tussen de scores op de 40 beoordelingsaspecten, waarna een gemiddelde rho werd bepaald.
Verschillen tussen de HOI- en RI-verslagen in de vier BPSP domeinscores, integratie en kwaliteit van behandeldoelen werden geanalyseerd met onafhankelijke t-toetsen of Mann-Whitney’s U-toetsen; de verdeling van behandeldoelen over hersteldomeinen met χ2-toetsen.
Resultaten
De studie betrof 60 deelnemers, 30 met een HOI en 30 met een RI. Tabel 2 toont hun demografische en klinische variabelen. Vier cliënten (HOI = 1, RI = 3) waren op 1 december 2024 (einde dataverzameling) nog in behandeling; hun behandelduur werd berekend van inschrijfdatum tot 1 december 2024. Het aantal behandelcontacten verwijst naar de contacten tot december 2024. Het aantal beoordeelde intakeverslagen was significant hoger in de HOI-groep (gemiddelde rangorde (MR) = 34,35) dan in de RI-groep (MR = 26,65; U = 334.500; r = -0,279; tabel 2). Daarnaast had de intakevorm een significant effect op het aantal behandelcontacten (χ2(1) = 3,96), waarbij de HOI-groep minder contacten had dan de RI-groep.
Tabel 2. Kenmerken van cliënten met herstelondersteunende intake (HOI) en reguliere intake (RI)
|
Kenmerken |
HOI n = 30 M (SD) |
RI n = 30 M (SD) |
p-waarden |
|---|---|---|---|
|
Leeftijd |
35,67 (12,60) |
36,87 (12,25) |
0,710 |
|
Sekse (% vrouw) |
60% |
63,3% |
0,791 |
|
Leefsituatie (%)* |
|||
|
Alleenstaand |
36,7% |
36,7% |
|
|
Met partner, met kinderen |
16,7% |
20% |
|
|
Zonder partner, met kinderen |
13,3% |
10% |
|
|
Overig |
33,3% |
33,3% |
|
|
DSM-5-classificatie (%)* |
|||
|
Stemmingsstoornissen |
30% |
30% |
|
|
Angststoornissen |
20% |
16,7% |
|
|
Trauma- en stressorgerelateerde stoornissen |
13,3% |
13,3% |
|
|
Overige stoornissen |
36,7% |
40% |
|
|
Behandelduur (in dagen) |
417,13 (363,81) |
481,03 (348,81) |
0,988 |
|
Aantal behandelcontacten† |
18,73 (28,39) |
31,73 (41,97) |
0,047 |
|
Aantal intakes† |
2,20 (0,48) |
1,90 (0,55) |
0,031 |
M = gemiddelde; SD = standaarddeviatie
* p-waarde niet berekend vanwege te lage celvulling.
† Significant bij p < 0,05.
De IBB werd berekend voor 12 intakes en varieerde van 0,709 tot 0,917. Vier intakes hadden een IBB tussen 0,709 en 0,785 (voldoende), terwijl de overige acht een IBB boven 0,8 hadden (ten minste goed).
Er werd verwacht dat de HOI-verslagen alleen op het persoonlijke domein hoger zouden worden beoordeeld op gedetailleerdheid dan de RI-verslagen, niet op de overige domeinen. Het sociale domein omvatte oorspronkelijk 14 aspecten, maar ‘Militaire voorgeschiedenis’ werd uitgesloten omdat niemand dit scoorde, waardoor het domein 13 aspecten telde (scorebereik 0-52). Tabel 3 toont de gemiddelden, standaarddeviaties en bijbehorende p-waarden per domein. Zoals verwacht werden de HOI-verslagen (MR = 37,32) significant hoger beoordeeld op het persoonlijke domein dan de RI-verslagen (MR = 23,68; U = 654.500; p = 0,002; r = 0,405), met middelgroot effect. Voor de overige domeinen werden, zoals verwacht, geen significante verschillen gevonden: biologisch domein (HOI MR = 27,75; RI MR = 33,25; U = 367.500; p = 0,205), psychologisch domein (t(47.229) = -0,745; p = 0,460) en sociaal domein (HOI MR = 30,88; RI MR = 30,12; U = 461.500; p = 0,864).
Tabel 3. Gemiddelden (M) en standaarddeviaties (SD) per domein, Integratieschaal en kwaliteit van behandeldoelen voor de verslagen van de herstelondersteunende intake (HOI) en de reguliere intake (RI)
|
Domeinen (bereik) |
HOI n = 30 M (SD)* |
RI n = 30 M (SD)* |
p-waarden |
|---|---|---|---|
|
Biologisch (0-8) |
1,20 (1,297) |
1,57 (1,194) |
0,205 |
|
Psychologisch (0-88) |
26,50 (4,384) |
25,33 (7,373) |
0,460 |
|
Sociaal (0-52) |
12,93 (4,899) |
12,323 (3,636) |
0,864 |
|
Persoonlijk (0-8)** |
2,47 (1,871) |
1,00 (1,259) |
0,002 |
|
Integratiescore |
2,59 (0,251) |
2,28 (0,678) |
0,012 |
|
Behandeldoelscore† |
1,40 (0,724) |
1,27 (0,640) |
0,345 |
*gemiddelde rangordes in tekst.
** Significant bij p < 0,05.
† Steekproef kleiner door ontbrekende behandeldoelen (HOI: n = 26; RI: n = 29).
Tegen de verwachting in werden de HOI-verslagen (MR = 35,58) significant hoger beoordeeld op de Integratieschaal dan de RI-groep (MR = 25,42; U = 602.500; p = 0,012; r = 0,326), met middelgroot effect.
Voor de kwaliteit van de behandeldoelen werd tegen de verwachting in geen significant verschil gevonden tussen de HOI- (MR = 32,43) en RI-verslagen (MR = 28,57; U = 508.000; p = 0,345; r = 0,122). Bij zeven cliënten (HOI = 4; RI = 3) ontbraken behandeldoelen, waardoor de steekproef kleiner werd. Redenen hiervoor waren: aanvullend bloedonderzoek ter uitsluiting van somatische oorzaken (HOI = 1), no-show na telefonische screening (RI = 2), afwezigheid bij vervolgintake (HOI = 1), aanvullende diagnostiek ondanks hulpvraag (HOI = 1), behandeling niet nodig geacht (HOI = 1) en enkel een hulpvraag zonder doel (RI = 1).
Tabel 4 toont de verdeling van behandeldoelen over de vier hersteldomeinen. Omdat geen enkel behandeldoel onder het existentiële domein viel, bleven vier domeinen over. Enkele behandeldoelprofielen werden samengevoegd vanwege lage aantallen. Hoewel in de RI-verslagen relatief meer behandeldoelen uitsluitend op symptomen of klachten waren gericht, verschilde de verdeling van behandeldoelen over de hersteldomeinen tussen beide intakevormen niet significant (χ²(3) = 6,379; p = 0,113; Cramers V = 0,316).
11 van de 16 profielen kwamen voor; profiel 4, 5, 6 en ‘overige’ werden vergeleken.
Tabel 4. Behandeldoelprofielen van herstelondersteunende intake (HOI) en reguliere intake (RI)
|
Profiel* |
Symptomen/klachten |
Interpersoonlijk functioneren |
Welzijn/functioneren |
Persoonlijke groei |
HOI % |
RI % |
|---|---|---|---|---|---|---|
|
1 |
– |
– |
– |
– |
13,3 |
10 |
|
2 |
– |
– |
X |
– |
3,3 |
6,7 |
|
3 |
– |
– |
X |
X |
0 |
3,3 |
|
4 |
– |
X |
– |
X |
6,7 |
0 |
|
5 |
X |
– |
– |
– |
16,7 |
36,7 |
|
6 |
X |
– |
– |
X |
26,7 |
6,7 |
|
7 |
X |
– |
X |
– |
23,3 |
20 |
|
8 |
X |
– |
X |
X |
6,7 |
6,7 |
|
9 |
X |
X |
– |
– |
3,3 |
3,3 |
|
10 |
X |
X |
– |
X |
0 |
3,3 |
|
11 |
X |
X |
X |
– |
0 |
3,3 |
* Profiel = combinatie van hersteldomeinen. X = aanwezig; – = afwezig.
Discussie
In dit onderzoek gingen wij na in hoeverre de HOI resulteert in een uitgebreider intakeverslag dan de RI. In overeenstemming met de verwachtingen bevat de HOI vaker informatie over krachten, kwaliteiten en toekomstverwachtingen. Deze nadruk op het persoonlijke domein gaat niet ten koste van aandacht voor de biologische, psychologische en sociale domeinen, die vergelijkbaar is met die bij de RI. Tegen de verwachting in werd de mate van integratie tot casusconceptualisatie hoger beoordeeld bij de HOI. Voor de kwaliteit van de behandeldoelen werden geen significante verschillen gevonden. Wel was er een aanwijzing dat de HOI-behandeldoelen minder klachtgericht waren en vaker gericht op andere hersteldomeinen, maar dit verschil was statistisch niet significant.
Versterking herstelgerichte benadering
Het benoemen van positieve eigenschappen en ruimte voor toekomstverwachtingen weerspiegelt een herstelgerichte benadering. Wanneer deze betekenis krijgen binnen het levensverhaal van de cliënt, kan het vertrouwen in eigen vaardigheden worden versterkt, wat essentieel is voor herstel.28 Hoewel bij de HOI vaker wordt gevraagd naar krachten en toekomstverwachtingen, blijft de uitwerking soms beperkt: ze worden geïsoleerd genoemd zonder plaatsing in bredere context of binnen het levensverhaal. Daardoor kunnen krachten onbenut blijven in het herstelproces. Intakers hebben daarom hulpmiddelen nodig om krachten niet alleen te identificeren, maar ze ook te kunnen benutten. De netwerkintake kan hierbij helpen: hierin staat het levensverhaal centraal en worden thema’s visueel weergegeven met symbolen (++ tot --) die hun invloed aangeven. Positief beoordeelde thema’s (+/++) kunnen zo worden versterkt of verbonden met negatieve, waardoor sterke punten constructief worden ingezet voor het herstelproces.
Kwaliteit behandeldoelen bij HOI
Vanuit de aanname dat HOI-intakers meer zicht hebben op het brede herstelgerichte aanbod van de Herstelacademie, werd een hogere kwaliteit van behandeldoelen verwacht. Deze verwachting werd niet bevestigd. Hoewel HOI-doelen vaker werden geformuleerd als combinatie van persoonlijke groei en klachten (26,7% vs. 6,7% bij de RI), en RI-doelen vaker uitsluitend klachtgericht waren (36,7% vs. 16,7% bij de HOI), waren deze verschillen statistisch niet significant. Mogelijk speelt de beperkte steekproef hierbij een rol. Deze inhoudelijke tendens vertaalde zich niet tot hogere behandeldoelscores. Een hogere behandeldoelscore vereist niet alleen integratie van meerdere domeinen, maar ook dat doelen specifiek, meetbaar, en geprioriteerd zijn uitgewerkt. Binnen een intake van 45 minuten is dit echter lastig, en soms niet wenselijk. Bovendien zijn in dit onderzoek uitsluitend doelen uit de intakefase meegenomen, een moment waarop cliënten vaak nog beperkt zicht hebben op hun herstelmogelijkheden.
Cliëntnarratief
Een mogelijke verklaring voor de hogere mate van casusconceptualisatie in HOI-verslagen is dat het cliëntnarratief via de vier vragen van persoonlijke diagnostiek centraal staat.18 Dit narratief structureert niet alleen de verzamelde informatie, maar nodigt uit tot betekenisgeving en het formuleren van samenhangende hypothesen over klachten, krachten en context. Dit wijkt af van de oorspronkelijke veronderstelling dat het integreren van informatie vooral een algemene vaardigheid van intakers is, los van intakevorm of theoretisch kader (bijvoorbeeld cognitieve gedragstherapie of psychodynamische benadering).
Beperkingen
Bij de interpretatie van deze bevindingen dienen we enkele beperkingen mee te wegen. Intakeverslagen vormen mogelijk geen volledige weergave van het intakegesprek. In de ggz wordt verslaglegging vaak onder tijdsdruk en niet direct na het consult opgesteld. Hierdoor kan de nadruk in intakeverslagen vooral op klachten liggen, terwijl krachten, beschermende factoren en het toekomstperspectief van de cliënt minder expliciet worden vastgelegd. Behandelaars kunnen daarbij veronderstellen dat deze aspecten in de verdere behandeling aan bod komen. Binnen de HOI werden de krachten en het toekomstperspectief van de cliënt daarentegen vaker benoemd, wat kan duiden op een andere focus in de verslaglegging.
Daarnaast was volledige blindering van intakevormen niet mogelijk. In sommige verslagen waren krachten en kwetsbaarheden beschreven overeenkomstig een van de persoonlijke diagnostiekvragen van Van Os, waardoor onderzoekers mogelijk hogere scores toekenden aan de HOI, mede in lijn met vooraf geformuleerde verwachtingen. Tegelijkertijd kan het feit dat de intakevorm herkenbaar was op basis van de inhoud van de verslaglegging ook wijzen op daadwerkelijke inhoudelijke verschillen tussen HOI en RI, in overeenstemming met de bevindingen.
Maatschappelijk kader en conclusie
Er is (inter)nationaal een toenemende visie dat herstel zich niet alleen moet richten op symptoomreductie, maar ook op sociaal-maatschappelijk functioneren.29 Psychische problematiek hangt vaak samen met factoren zoals werkloosheid, huisvesting en gebrek aan steun.30 Deze visie sluit aan bij het public-healthdenken, waarin inkomen, werk, opleiding en woonomgeving worden gezien als belangrijke determinanten van gezondheid en welzijn.31,32 Tegelijkertijd kunnen deze factoren ook bijdragen aan herstel. Een stabiele woonsituatie, toegang tot werk of scholing, en een ondersteunend netwerk vormen basisvoorwaarden voor veerkracht en identiteit, en beïnvloeden daarmee het mentale welzijn.33 Dit uitgangspunt is verankerd in het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, waarin gelijke kansen op wonen, participatie en sociale inclusie fundamentele mensenrechten zijn.34,35 Deze visie plaatst de ggz nadrukkelijk in een breder maatschappelijk kader.
Uit ons onderzoek blijkt dat de beschreven sociaal-maatschappelijke dimensie in de intakefase nog beperkt tot uiting komt. Ongeveer 30% van de behandeldoelen was gericht op breder functioneren en welzijn, vaak in combinatie met andere domeinen. Slechts een klein percentage betrof werk, huisvesting of opleiding. Dit kan wijzen op beperkte aandacht in de praktijk, of op onderschatting, doordat dergelijke thema’s pas later in de behandeling aan bod komen. Het blijft belangrijk hulpverleners concrete handvatten te bieden om dit domein explicieter te betrekken, bijvoorbeeld via herstelgerichte interventies die participatie en werk bevorderen, zoals individual placement and support (IPS).36
Binnen de HOI is er al meer aandacht voor de persoonlijke context van cliënten, wat aansluit bij de bredere beweging om herstel te benaderen vanuit sociale determinanten en maatschappelijke participatie, in plaats van uitsluitend vanuit symptomen.
Literatuur
1 Nakash O, Nagar M, Kanat-Maymon Y. ‘What should we talk about?’ The association between the information exchanged during the mental health intake and the quality of the working alliance. J Couns Psychol 2015; 62: 514-20.
2 Gilboa-Schechtman E. Case conceptualization in clinical practice and training. Clin Psychol Eur 2024; 6: e12103.
3 Sommers-Flanagan J, Sommers-Flanagan R. Clinical interviewing. 6de ed. Hoboken: Wiley; 2017.
4 Meyer L, Melchert TP. Mental health intake assessments from a biopsychosocial perspective. Procedia Soc Behav Sci 2010; 5: 362-6.
5 Engel GL. The need for a new medical model: A challenge for biomedicine. Science 1977; 196: 129-36.
6 Engel GL. From biomedical to biopsychosocial: Being scientific in the human domain. Psychosomatics 1997; 38: 521-8.
7 Lewis B. The biopsychosocial model and philosophic pragmatism: Is George Engel a pragmatist? Philos Psychiatry Psychol 2007; 14: 299-310.
8 Bolton D, Gillett G. The biopsychosocial model of health and disease: Philosophical and scientific developments. Cham: Springer Palgrave; 2019.
9 McLaren N. The biopsychosocial model and psychiatry’s integrity. Australas Psychiatry 2022; 30: 411.
10 Ghaemi N. The biopsychosocial model in psychiatry: A critique. Existenz 2011; 6: 1.
11 Benning TB. Limitations of the biopsychosocial model in psychiatry. Adv Med Educ Pract 2015; 6: 347-52.
12 Van Denend J, Ford K, Berg P, e.a. The body, the mind, and the spirit: Including the spiritual domain in mental health care. J Relig Health 2022; 61: 3571-8.
13 Waterhout N, Dijkstra M, Nugter A, e.a. HOI! Niet zomaar een begroeting. Ervaringen met de herstelondersteunende intake. Participatie en Herstel 2020; 4: 16-24.
14 Engelsbel F, Waterhout N, Dijkstra M, e.a. Experiences of clients and professionals with the recovery oriented intake. Community Ment Health J 2024; 60: 985-96.
15 Whitley R, Drake RE. Recovery: A dimensional approach. Psychiatr Serv 2010; 61: 1248-50.
16 Shepherd G, Boardman J, Slade M. Making recovery a reality. Policy paper. Londen: Sainsbury Centre for Mental Health; 2008.
17 Andresen R, Caputi P, Oades L. The Stages of Recovery Instrument: Development of a measure of recovery from serious mental illness. Aust N Z J Psychiatry 2006; 40: 972-80.
18 Van Os J. De DSM-5 voorbij! Persoonlijke diagnostiek in een nieuwe ggz. 1e dr. Houten: Bohn Stafleu van Loghum; 2018.
19 Leamy M, Bird V, Le Boutillier C, e.a. Conceptual framework for personal recovery in mental health: Systematic review and narrative synthesis. Br J Psychiatry 2011; 199: 445-52.
20 Akwa GGZ. Generieke module Samen beslissen. 2017. www.ggzstandaarden.nl/pagina/samen-beslissen
21 Huber M, Knottnerus JA, Green L, e.a. How should we define health? BMJ 2011; 343: d4163.
22 Miller WR, Rollnick S. Motivational interviewing: Helping people change. 3de ed. New York: Guilford Press; 2013.
23 Elwyn G, Frosch D, Thomson R, e.a. Shared decision making: A model for clinical practice. J Gen Intern Med 2012; 27: 1361-7.
24 Pathare S, Shields LS. Supported decision-making for persons with mental illness: A review. Public Health Rev 2012; 34: 15.
25 McClain T, O’Sullivan PS, Clardy JA. Biopsychosocial formulation: Recognizing educational shortcomings. Acad Psychiatry 2004; 28: 88-94.
26 Holtforth MG, Grawe K. Bern Inventory of Treatment Goals: Part 1. Development and first application of a taxonomy of treatment goal themes. Psychother Res 2002; 12: 79-99.
27 Babbie ER. The practice of social research. Belmont: Wadsworth/Thomas Learning; 2004.
28 Xie H. Strengths-based approach for mental health recovery. Iran J Psychiatry Behav Sci 2013; 7: 5-10.
29 Priebe S. A social paradigm in psychiatry: Themes and perspectives. Epidemiol Psychiatr Sci 2016; 25: 521-7.
30 World Health Organization. Guidance on community mental health services: Promoting person-centred and rights-based approaches. Genève: WHO; 2021. www.who.int/publications/i/item/9789240025707
31 World Health Organization. Social determinants of health. 6 mei 2025. www.who.int/news-room/fact-sheets/detail/social-determinants-of-health
32 Watson MC, Neil KE. Social determinants of health: A positive manifesto for public health. BMJ 2024; 385.
33 Tsemberis S. Housing First: The Pathways model to end homelessness for people with mental illness and addiction. Center City: Hazelden; 2010.
34 United Nations. Convention on the Rights of Persons with Disabilities (CRPD). New York: UN; 2006. www.un.org/disabilities/documents/convention/convoptprot-e.pdf
35 Keet R, de Vetten-McMahon M, Shields-Zeeman L, e.a. Recovery for all in the community: Position paper on principles and key elements of community-based mental health care. BMC Psychiatry 2019; 19: 174.
36 Jónasson H, van Weeghel J, Koatz D, e.a. Boosting the development of Individual Placement and Support (IPS) in Europe. Epidemiol Psychiatr Sci 2022; 31.
Bijlagen
Online bijlagenAuteurs
Fabiana Engelsbel, onderzoeker, GGZ Noord-Holland-Noord, afd. Onderzoek & Zorgevaluatie (O&Z), Heerhugowaard.
Jim van Os, hoogleraar Psychiatrie en voorzitter divisie Hersenen, Universitair Medisch Centrum Utrecht.
Eva Velthorst, hoofd afd. Onderzoek & Zorgevaluatie, GGZ Noord-Holland-Noord, Heerhugowaard.
René Keet, psychiater, GGZ Noord-Holland-Noord, Heerhugowaard; voorzitter European Community Mental Health Services Network (EUCOMS).
Correspondentie
Fabiana Engelsbel (f.engelsbel@ggz-nhn.nl).
Geen strijdige belangen gemeld.
Het artikel werd voor publicatie geaccepteerd op 19-2-2026.
Citeren
Tijdschr Psychiatr. 2026;68(05):229-235