ADHD
Recente grootschalige studies leveren nieuwe gegevens over veiligheid en effectiviteit van ADHD-behandeling in uiteenlopende klinische contexten: tijdens zwangerschap, op cardiovasculaire parameters, op executieve functies bij kinderen en op bredere maatschappelijke uitkomsten. Ze bieden actuele aanknopingspunten voor de praktijk, waar risicoweging en gezamenlijke besluitvorming centraal staan.
Beweging verbetert cognitieve functies bij kinderen met ADHD
Er is een nauwe relatie beschreven tussen ADHD en executieve functies, waaronder cognitieve flexibiliteit, inhibitie en werkgeheugen. Eerder onderzoek suggereert dat fysieke activiteit deze functies kan verbeteren, maar het optimale type en de hoeveelheid beweging lijken te verschillen per ontwikkelingsfase. Li en collega’s onderzochten daarom specifiek welke vormen van fysieke activiteit samenhangen met verbeteringen in executieve functies bij schoolgaande kinderen met ADHD.¹
Met een meta-analyse van 19 RCT’s onderzochten de auteurs het effect van fysieke activiteit bij 691 kinderen (6-12 jaar) met ADHD. Beweeginterventies varieerden in type (aerobe training versus cognitief uitdagende bewegingsvormen zoals balsporten en paardrijden), frequentie en duur.
Fysieke activiteit ging gepaard met een middelgroot tot groot effect op cognitieve flexibiliteit (standardised mean difference; SMD: 0,70; 95%-BI: 0,09-1,31) en werkgeheugen (SMD: 0,74; 95%-BI: 0,20-1,28). Voor inhibition switching – het doelgericht reguleren van aandacht en emoties, waarbij zichtbare, automatische of dominante reacties zo nodig worden onderdrukt om ongepast gedrag te voorkomen – werd een kleine tot middelgrote, statistisch niet significante verbetering gevonden (SMD: -0,35; 95%-BI: -0,74-0,03). De heterogeniteit was aanzienlijk. In subgroepanalyses lieten cognitief uitdagende vormen van beweging grotere effectgroottes zien dan traditionele aerobe training. Effecten varieerden bovendien naar duur, frequentie en interventieperiode.
De onderzoekers concluderen dat fysieke activiteit samenhangt met verbeteringen in executieve functies bij schoolgaande kinderen met ADHD, waarbij cognitief uitdagende beweeginterventies het meest veelbelovend lijken. Zij benadrukken dat optimale ‘dosering’ van beweging kan verschillen per uitkomstmaat en dat verdere gerichte RCT’s nodig zijn.
Literatuur
1 Li D, Miao C, Wang D, e.a. Effect of physical activity interventions on executive functions in school-age children with ADHD: A meta-analysis of randomized controlled trials. J Affect Dis 2025; 378; 175-90.
Geen verhoogd risico op ADHD of autisme na gebruik ADHD-medicatie tijdens de zwangerschap
Het gebruik van ADHD-medicatie tijdens de zwangerschap neemt toe. Er is echter nog te weinig gerepliceerd, betrouwbaar onderzoek naar de langetermijnveiligheid; zwangere vrouwen stoppen het gebruik uit bezorgdheid over mogelijke nadelige effecten voor hun ongeboren kind. In een grote Zweedse registerstudie onderzochten Bang Madsen en collega’s of blootstelling in utero aan ADHD-medicatie samenhangt met een verhoogd risico op neurobiologische ontwikkelingsstoornissen bij het kind. Molecular Psychiatry publiceerde de resultaten.¹
In totaal includeerden de onderzoekers 861.650 eenlingen geboren tussen 2008 en 2017. Van hen waren 2257 (0,3%; 49% vrouw) voor de geboorte blootgesteld aan ADHD-medicatie. Zowel de stimulantia methylfenidaat en amfetaminen als het niet-stimulerende middel atomoxetine werden daarbij geanalyseerd. Als referentiegroep dienden 3917 kinderen (0,5%; 49% vrouw) van moeders die hun ADHD-medicatie vóór conceptie hadden gestaakt. Door deze groepen te vergelijken, gaf onderliggende maternale ADHD geen vertekend beeld. Gekeken werd of bij de kinderen na hun derde verjaardag een neurobiologische ontwikkelingsstoornis was gediagnosticeerd of dat aan hen ADHD-medicatie was voorgeschreven.
Na correctie voor psychiatrische voorgeschiedenis, sociaaldemografische factoren en comedicatie van de moeder werd geen verhoogd risico gevonden op neurobiologische ontwikkelingsstoornissen bij het kind na blootstelling in utero (hazardratio (HR): 0,95; 95%-BI: 0,82-1,11), ADHD (HR: 0,92; 95%-BI: 0,78-1,08) of autismespectrumstoornis (HR: 0,86; 95%-BI: 0,63-1,18). In een aanvullende meta-analyse met Deense data werden eveneens geen significante risicoverhogingen gevonden. Ook lieten de middelen afzonderlijk geen verhoogd risico zien.
Volgens de auteurs zijn de resultaten geruststellend: ze onderstrepen het groeiende bewijs dat het blijven gebruiken van ADHD-medicatie tijdens de zwangerschap het risico op neurobiologische ontwikkelingsstoornissen bij kinderen niet verhoogt. De bevindingen kunnen een rol spelen bij de besluitvorming over continueren of staken van medicatie tijdens de zwangerschap.
Literatuur
1 Bang Madsen K, Larsson, Skoglund C. In utero exposure to methylphenidate, amphetamines and atomoxetine and offspring neurodevelopmental disorders – a population-based cohort study and meta-analysis. Mol Psychiatry 2025; 30: 3885-94.
Kleine stijging van bloeddruk en pols bij ADHD-medicatie
ADHD-medicatie beïnvloedt het sympathische deel van het autonome zenuwstelsel; daarom zijn kleine veranderingen in hartslag en bloeddruk biologisch verklaarbaar. Het is vooralsnog onduidelijk of ADHD-medicatie het risico op hart- en vaatziekten verhoogt. Waar een eerdere meta-analyse alleen keek naar bloeddruk, onderzochten Farhat en collega’s de effecten van verschillende ADHD-middelen ook op hartfrequentie en ecg-parameters. Hun bevindingen verschenen in The Lancet Psychiatry.¹
Voor hun systematische review met netwerkmeta-analyse gebruikten de onderzoekers gegevens van 102 gerandomiseerde, dubbelblinde trials. In totaal werden 22.702 deelnemers geïncludeerd, van wie 13.315 jeugdigen (gem. leeftijd 11 jaar; 27% vrouw) en 9387 volwassenen (gem. leeftijd 35 jaar; 43% vrouw). Onderzochte middelen waren onder meer amfetaminen, lisdexamfetamine, methylfenidaat, atomoxetine, viloxazine, guanfacine en clonidine. De mediane studieduur bedroeg 7 weken.
Gebruik van stimulantia en van het niet-stimulerende atomoxetine ging gepaard met kleine gemiddelde stijgingen van systolische bloeddruk ten opzichte van placebo, variërend van 1,1 tot 1,8 mmHg bij kinderen en adolescenten, en van 1,7 tot 2,3 mmHg bij volwassenen. De diastolische bloeddruk steeg respectievelijk 1,9 tot 2,4 mmHg en 1,6 tot 3,1 mmHg en de hartfrequentie respectievelijk 2,8 tot 5,6 slagen/min en 4,4 tot 5,8 slagen/min. Gebruik van guanfacine liet dalingen zien in bloeddruk en pols. Er werden geen verschillen gevonden tussen stimulantia en niet-stimulantia. De bewijskracht werd bij volwassenen als minder zeker beoordeeld dan bij jeugdigen. De QTc – de voor hartslag gecorrigeerde tijd die het hart nodig heeft om zich elektrisch te herstellen tussen twee slagen – verschilde niet met placebo.
Ondanks de kleine afwijkingen en dus het zeer beperkte risico ondersteunen de bevindingen de bestaande aanbevelingen om bloeddruk en hartfrequentie te monitoren bij alle ADHD-middelen, en niet alleen bij stimulantia. Voor ecg-parameters was het bewijs echter beperkt, waardoor meer consistente rapportage in toekomstige RCT’s nodig is voordat hierover conclusies mogelijk zijn.
Literatuur
1 Farhat LC, Lannes A, Del Giovane C, e.a. Comparative cardiovascular safety of medications for attention-deficit hyperactivity disorder in children, adolescents, and adults: a systematic review and network meta-analysis. Lancet Psychiatry 2025; 12; 355-65.
ADHD-medicatie verlaagt risico op suïcidaal gedrag en criminaliteit
Mensen met ADHD hebben een verhoogd risico op suïcidaal gedrag, middelenmisbruik, ongelukken en criminaliteit. RCT’s tonen aan dat behandeling met medicatie kernsymptomen verlicht, maar geven weinig inzicht in deze bredere, maatschappelijk relevante uitkomsten. Zhang en collega’s onderzochten daarom in een Zweedse registerstudie, gepubliceerd in The British Medical Journal, of het starten met ADHD-medicatie samenhangt met veranderingen in vijf van deze uitkomsten.1
In deze target trial emulation-studie werden 148.581 personen van 6-64 jaar (mediane leeftijd 17,4 jaar; 41,3% vrouw) met een nieuwe ADHD-diagnose gedurende twee jaar gevolgd. Een target trial emulation is een observationele studie die methodologisch is opgezet alsof het een gerandomiseerde trial betreft, om vertekening zo veel mogelijk te beperken. Tijdens het onderzoek werden personen die startten met medicatie binnen drie maanden na diagnose (56,7%) vergeleken met personen die niet startten.
Starten met medicatie ging gepaard met lagere incidentieratio’s voor een eerste episode van suïcidaal gedrag (incidence rate ratio (IRR): 0,83; 95%-BI: 0,78-0,88), middelenmisbruik (IRR: 0,85; 95%-BI: 0,83-0,87), verkeersongevallen (IRR: 0,88; 95%-BI: 0,82-0,94) en criminaliteit (IRR: 0,87; 95%-BI: 0,83-0,90). Voor verwondingen door ongelukken werd geen significant verschil gevonden. Bij mensen die al eerder zo’n gebeurtenis hadden meegemaakt, kwam een terugkerende episode tijdens de volgfase minder vaak voor. Dit gold voor alle vijf de onderzochte uitkomsten (IRR’s: 0,75-0,96). Stimulantia hadden in vergelijking met niet-stimulantia het beste effect.
De auteurs concluderen dat het starten en voortzetten van ADHD-medicatie in de praktijk samenhangt met lagere risico’s op diverse gezondheids- en gedragsuitkomsten gedurende twee jaar. Het betreft echter observationeel onderzoek; de resultaten tonen een verband, maar laten geen definitieve uitspraken over causaliteit toe.
Literatuur
1 Zhang L, Zhu N, Sjölander A, e.a. ADHD drug treatment and risk of suicidal behaviours, substance misuse, accidental injuries, transport accidents, and criminality: emulation of target trials. BMJ 2025; 390: e083658.