Wetenschappelijk tijdschrift voor psychiaters, artsen in opleiding tot psychiater en andere geïnteresseerden
  • EN
  • NL
Tijdschrift voor Psychiatrie
  • Tijdschrift
  • Terug naar hoofdmenu
    Nieuwe artikelen Huidige nummer Vorige nummers Themanummers Boekbesprekingen
    Auteursrichtlijnen Over het tijdschrift Redactie Abonnementen Colofon Adverteren
    Huidige nummer
    Nummer 5 / 2026 Jaargang 68
    Tijdschrift voor Psychiatrie
    5 / 2026

    Huidige nummer
  • Accreditatie
  • Meetinstrumenten
  • Vacatures
Edit
  • EN
  • NL
  1. Home
  2. Artikelen
  3. Afstand en nabijheid in de arts-patiënt­re...
Onderzoeksartikel

Afstand en nabijheid in de arts-patiënt­relatie bij kinder- en jeugdpsychiaters

E. D’hoore, E. Van Raes, N. Vliegen

Achtergrond De therapeutische relatie is een belangrijke voorspeller voor de effectiviteit van psychotherapie. Binnen deze relatie speelt de balans tussen afstand en nabijheid een cruciale rol. Binnen de kinder- en jeugdpsychiatrie is er echter nog weinig bekend over de conceptuele reikwijdte en de klinische invulling van deze begrippen.

Doel Onderzoeken hoe kinder- en jeugdpsychiaters, in hun contact met minderjarigen, betekenis geven aan afstand en nabijheid in de therapeutische relatie en welke afwegingen zij daarbij maken in de klinische praktijk.

Methode In kwalitatief onderzoek met semigestructureerde interviews met tien kinderpsychiaters verkenden we diverse perspectieven die de ervaring van afstand en nabijheid in de klinische praktijk beschrijven. Met thematische analyse identificeerden we betekenisvolle patronen en thema’s uit de interviews.

Resultaten De volgende thema’s kwamen naar voren: 1. ruimte, tijd en beschikbaarheid als regulerend voor afstand en nabijheid; 2. fysiek contact: een spanningsveld tussen goede zorg en professionele grenzen; 3. emotionele betrokkenheid als professioneel spanningsveld; 4. persoonlijke en professionele identiteit in de therapeutische relatie; 5. arts als mens en 6. professionele rol en klinische opdracht als kader voor afstand en nabijheid.

Conclusie Afstand en nabijheid blijken op diverse manieren vorm te krijgen in de therapeutische relatie met kinderen en jongeren. Kinderpsychiaters zoeken elk op hun eigen wijze naar een passend evenwicht. In dit artikel bieden wij een eerste thematisch kader ter ondersteuning van verdere dialoog en onderzoek.

De kwaliteit van de therapeutische relatie – de samenwerking, het partnerschap en de affectieve band tussen therapeut en cliënt – is één van de meest robuuste voorspellers van psychotherapeutisch behandelsucces.1-4 Een cruciaal, maar tot op heden relatief onderbelicht aspect binnen deze relatie is de manier waarop therapeut en cliënt zich positioneren op het continuüm afstand en nabijheid.5-7 In de literatuur wordt therapeutische afstand geassocieerd met een observerende houding, objectiviteit en het vermogen om overzicht, structuur en regie te behouden.6,8 Therapeutische nabijheid wordt daarentegen in verband gebracht met empathie, betrokkenheid, accepterend luisteren en het aangaan van een emotioneel verhelderende therapeutische relatie.6,8 Het vinden van een passende balans tussen afstand en nabijheid is geen statische situatie, maar het resultaat van een voortdurend afstemmingsproces, waarbij de therapeut de eigen positie steeds opnieuw evalueert in relatie tot de cliënt.

Gabbard en Crisp-Han vestigen de aandacht op de risico’s van té grote nabijheid binnen de volwassenenpsychiatrie en benadrukken het belang van bewustwording rond professionele grenzen.9 Deze grenzen manifesteren zich onder meer in het zorgvuldig bewaken van de therapeutische setting en sessieduur, het vertrouwelijk omgaan met patiëntinformatie, het weigeren van kostbare geschenken of financiële voordelen, het vermijden van vriendschappelijke of zakelijke relaties, het zorgen voor gepaste kledij en taal, en het vermijden van fysiek contact – met een absoluut verbod op seksueel contact – en het zorgvuldig begrenzen van zelfonthulling.9 Of deze principes in de kinder- en jeugdpsychiatrie op dezelfde manier worden vormgegeven, is nog niet onderzocht.

Hoewel deze thematiek niet nieuw is, blijft ze bijzonder actueel. Tijdens het 2e Vlaams Congres Geestelijke Gezondheid bij Kinderen & Jongeren in september 2025 benadrukten jonge ervaringsdeskundigen van Esperto het belang van gepaste relationele nabijheid en authenticiteit in het contact. Dit sluit aan bij onderzoek binnen de volwassenenpsychiatrie: patiënten ervaren kwaliteit van zorg vooral via respect, waardering, en de affectieve beleving van het contact. Zij ervaren een arts daarbij idealiter als authentiek, aanwezig en compassievol.10

Daarnaast toont onderzoek dat het strategisch inzetten van therapeutische afstand kan helpen voor cliënten met een onveilige hechtingsstijl, doordat het ruimte creëert voor een corrigerende hechtingservaring.11,12 Reflectie over afstand en nabijheid, en het maken van contextgevoelige afwegingen in relatie tot doelgroep of cliëntsysteem vormen aldus essentiële onderdelen van het therapeutisch handelen.

Voor zover bekend is dit het eerste onderzoek waarin op kwalitatieve wijze nagegaan wordt hoe kinder- en jeugdpsychiaters, in hun contact met minderjarigen, betekenis geven aan afstand en nabijheid in de therapeutische relatie en welke afwegingen zij daarbij maken in de klinische praktijk.

Methode

Voor dit kwalitatieve onderzoek interviewden we tien kinder- en jeugdpsychiaters uit Vlaanderen. De rekrutering verliep via persoonlijke contacten, via e-mailverkeer met diverse psychiatrische centra en via de sneeuwbalmethode, waarbij we streefden naar heterogeniteit in leeftijd, gender, regio en werksetting. Alle deelnemers gaven geïnformeerde toestemming voor deelname, audio-opname en verwerking van de gegevens.

De semigestructureerde diepte-interviews verliepen aan de hand van een interviewleidraad met drie centrale vragen:

1. Wat verstaan de deelnemers onder afstand en nabijheid in de therapeutische relatie?

2. Welke ervaringen hebben zij met situaties die als te nabij, te afstandelijk of goed in balans werden ervaren?

3. Hoe is hun visie op dit thema geëvolueerd gedurende hun loopbaan?

De gesprekken namen we op met een externe recorder. Gevoelige informatie transcribeerden we handmatig, de overige audiofragmenten verwerkten we via Amberscript (www.amberscript.com). De interviewleidraad en opnameapparatuur testten we vooraf in twee pilootinterviews, wat geen aanleiding gaf tot aanpassingen.

We analyseerden de data thematisch, met als doel betekenisvolle patronen en thema’s in de transcripten te identificeren.14,15 Het analyseproces startte met vertrouwd raken met de data, gevolgd door open codering. Codes bestonden uit tekstfragmenten die betrekking hadden op specifieke betekeniseenheden. Inhoudelijk verwante codes groepeerden we in categorieën, die vervolgens de basis vormden voor overkoepelende thema’s. Twee van ons codeerden en thematiseerden onafhankelijk van elkaar, in twee coderingsrondes. Aansluitend werden codes en thema’s gezamenlijk besproken en verfijnd totdat we consensus bereikten. De uiteindelijke thema’s werden geïnterpreteerd in relatie tot de onderzoeksvragen en de bredere context.13,14

We rapporteren de bevindingen en illustreren deze met geanonimiseerde citaten, zodat de identiteit van de deelnemer niet herleidbaar is. Dit onderzoek werd goedgekeurd door de Ethische Commissie Onderzoek UZ/KU Leuven.

Resultaten

Vier mannelijke en zes vrouwelijke artsen namen deel aan het onderzoek. Negen participanten werkten in een kinderpsychiatrisch ziekenhuis, één had een solopraktijk. Hun klinische ervaring als afgestudeerd kinderpsychiater varieerde van 1 tot 23 jaar (mediaan 16,5 jaar). Negen kinderpsychiaters volgden een aanvullende psychotherapieopleiding.

Na thematische analyse kwamen zeven hoofdthema’s rond afstand en nabijheid naar voren. Het thema ‘kindfactoren’ laten we buiten beschouwing, omdat het inhoudelijk afwijkt van de overige thema’s, die voornamelijk betrekking hebben op de professionele reflecties van de kinderpsychiater zelf. In dit artikel rapporteren wij over de zes overige thema’s.

Ruimte, tijd en beschikbaarheid als regulerend voor afstand en nabijheid

Kinder- en jeugdpsychiaters beschreven hoe de fysieke inrichting van de gespreksruimte – zoals het gebruik van een lage of hoge tafel, of het al dan niet plaatsnemen achter een bureau – de ervaren afstand-nabijheid beïnvloedde. De meeste kinderpsychiaters stonden bewust stil bij hoe de inrichting en het gebruik van de gespreksruimte kansen bieden om afstand-nabijheid actief te reguleren binnen de arts-patiëntrelatie. Eén deelnemer gaf aan: ‘Ik zit niet achter mijn bureau, dat zou meer afstand creëren.’ (participant 6). Sommige kinderpsychiaters overwogen alternatieve gesprekslocaties, zoals gesprekken buiten, in de wandelgang, in de leefgroep of in de ziekenhuiskamer omdat deze contexten kansen bieden om zich ‘meer in de leefwereld van de patiënt te begeven’ (participant 10) en zo connectie te bevorderen.

Grotere verschillen kwamen naar voren in hoe tijdskaders en professionele beschikbaarheid vorm kregen. Waar sommige kinderpsychiaters de duur van gesprekken strikt bewaakten, vonden anderen korte, ongeplande contactmomenten juist waardevol (‘Ik blijf gemakkelijk vijf of tien minuten in de gang babbelen’; participant 10). Ook de mate van bereikbaarheid buiten de werkuren varieerde: van enkel binnen de werkuren, tot eerder beperkte beschikbaarheid via e-mail of telefoon; en dit vanuit betrokkenheid, bezorgdheid of nieuwsgierigheid: ‘Je neemt je computer mee naar huis. Je leest eens je e-mails. (…) Ik wil weten: hoe gaat het? Of zijn er mensen die iets nodig hebben?’ (participant 3). In crisissituaties, zoals bij dreigende suïcidaliteit, kon die beschikbaarheid expliciet worden uitgebreid. Een deelnemer zei over een crisissituatie (participant 2): ‘Dan zeg ik wel eens zeer expliciet tegen jongeren: Wat het ook is, bel mij! En dan is het wel eens gebeurd dat iemand mij om tien uur of elf uur ‘s avonds belde, maar dat kan ik op één hand tellen over al de jaren heen.’

De meeste participanten hadden een aparte werktelefoon: ‘Mijn privételefoonnummer geven, dat zal ik niet doen.’ (participant 4). Anderen gebruikten één toestel: ‘Al mijn patiënten hebben mijn gsm-nummer. Ik heb ook maar één gsm-nummer.’ (participant 2). E-mail als communicatiemiddel werd vaak verkozen boven telefonische bereikbaarheid, omdat bellen als intrusief, eisend en ‘te nabij’ kon aanvoelen: ‘Telefoon is heel intrusief in nabijheid. Ze bellen en je moet opnemen.’ (participant 3). E-mail bood volgens hen wel bereikbaarheid, zonder de onmiddellijke verplichting tot antwoorden.

Het bewaken van tijd en beschikbaarheid werd als beschermend ervaren bij patiënten die de grenzen van het vooropgestelde kader aftoetsten of overschreden, bijvoorbeeld door frequente e-mails of telefoontjes, door onmiddellijke oplossingen te verwachten, of door een sterk appellerende houding in crisissituaties. Dit kon opdringerig of dwingend aanvoelen en uiteenlopende tegenoverdrachtelijke gevoelens teweegbrengen.

‘Iemand stuurt een sms: ‘Het is echt dringend, kunt ge mij terugbellen?’ Als mensen dat doen, dan bel ik terug. Maar zo, ik krijg daar zo een vies gevoel bij.’ (participant 3).

‘… als mensen in crisis te claimend worden en het vanzelfsprekend vinden dat je alles à la minute oplost… Daar kan ik wel een beetje ambetant [geïrriteerd, red.] van zijn.’ (participant 8)

Hoeveel ‘eis’ rond tijd en beschikbaarheid een arts kon dragen, leek mede bepaald door de mate waarin de kinderpsychiater de regie behield over hoe (crisis)vragen binnenkwamen, en zelf kon bepalen wanneer een uitzondering op het behandelkader passend was. Ook inzicht in uitgelokte tegenoverdracht was hierbij relevant: waar de ene participant frustratie voelde en afstand inbouwde, ervoer de andere juist druk om via verhoogde nabijheid tegemoet te komen aan de verwachtingen van de patiënt.

Fysiek contact: spanningsveld tussen goede zorg en professionele grenzen

Sommige kinderen hebben de neiging om fysiek zéér nabij te komen, anderen blijven eerder op een afstand. Er was een consensus bij de kinderpsychiaters dat fysiek contact moest worden begrensd, al verschilde de manier waarop deze basishouding in de praktijk vorm kreeg. Sommige kinderpsychiaters gaven aan principieel te waken over afstand.

‘Daar ben ik bijvoorbeeld wel heel streng en afstandelijk in. Ik geef geen knuffels aan mijn jongeren.’ (participant 10).

Anderen beschouwden fysiek contact als passend binnen een bepaalde context, met name bij jonge kinderen:

‘Met een kleuter, je pakt die op de schoot, je knuffelt die… Die kinderen hebben die fysieke nabijheid veel meer nodig.’ (participant 4)

Enkele kinderpsychiaters beschreven dat fysiek contact soms kon helpen, bijvoorbeeld in uitzonderlijke of emotioneel beladen situaties, mits er expliciete afstemming was met de patiënt:

‘Euhm, ook op héél kritieke momenten heb ik wel eens aan mensen gevraagd van ‘Is het oké als ik even mijn arm op je schouder leg?’.’ (participant 1)

Hoewel sommige kinderpsychiaters fysiek contact oncomfortabel vonden en dit strikt afhielden, beschouwden anderen een schouderklopje of knuffel acceptabel onder specifieke omstandigheden. Daarbij hielden ze rekening met kindfactoren, zoals leeftijd en behoeften, en met het doel van het contact, zoals regulatie, troost, of het uiten van zorg en betrokkenheid.

Emotionele betrokkenheid als professioneel spanningsveld

Participanten beschreven in emotionele betrokkenheid een affectieve dimensie. Dan ging het om ‘meevoelen’ met de patiënt (participant 7) of om het gevoel dat een jongere ‘extra in uw hart kruipt’ (participant 1). Daarnaast ging het om een mentale aanwezigheid, waarbij patiënten als het ware ‘mentaal in ons hoofd worden vastgehouden’ (participant 9) of waarbij kinderpsychiaters zich afvroegen: ‘hoe zou het met hem/haar zijn?’ (participant 3). Betrokkenheid impliceert dat kinderpsychiaters zich laten raken, zowel door negatieve als positieve ervaringen. Iemand omschreef dit als volgt: ‘Heel dat heen en weer van voelen, verteren, teruggeven, vertalen, begrijpen, verstaan. (…) Ik ervaar dat bijna van: ‘daar begint het zowat mee’.’ (participant 1)

Participanten omschreven dat een disbalans in emotionele betrokkenheid een impact kon hebben op het eigen mentaal welzijn. Overbetrokkenheid kon leiden tot piekeren, stress, of ’s nachts wakker liggen. Zo vertelde participant 4 over een crisissituatie:

‘Die is zo nabij geweest. Die heeft mij wakker gehouden. Die heeft mij emotioneel zo geraakt. En dat zijn zo van die dingen, dat voel ik… Zo intrusief is dat voor mij geweest. En dan laat ik mij daardoor raken hè. Die grens heb ik niet kunnen houden.’

Overbetrokkenheid kon bovendien de professionele objectiviteit ondermijnen, doordat persoonlijke emoties een rol gingen spelen en professionele grenzen vervaagden, met het risico op wat één participant verwoordde als ‘samenvallen met de patiënt’ (participant 5).

Omgekeerd kon te veel afstand eveneens problematisch zijn. Te weinig emotionele nabijheid kon ertoe leiden dat jongeren zich onvoldoende gezien, gehoord of begrepen voelen. Dit beperkte de ruimte om hun beleving en betekenis te delen binnen het therapeutisch proces. Zoals participant 6 opmerkte:

‘En dat werd vroeger heel erg gekaderd als: (…) ‘Het is professioneel om afstandelijk te zijn’, ‘je mag niet té nabij zijn’. Maar ik heb ook heel veel schade gezien van die afstand.’

De uitdaging voor kinderpsychiaters lag in het vinden van een werkbaar evenwicht tussen afstand en nabijheid: voldoende meevoelen zodat de jongere zich begrepen voelde, maar tegelijk voldoende afstand bewaken om overzicht, mentale rust en perspectief voor therapeutische besluitvorming te behouden. Eén participant verwoordde dit als volgt:

‘Kunnen meevoelen, zonder dat het mijn diepste raakt. (…) Ik ga niet naar huis met dan een ‘bwaaaa’-gevoel. Ik kan dat best redelijk ontkoppelen.’ (participant 7)

‘Er is voldoende afstand en een goed evenwicht als je én kan meevoelen met wat die jongere meemaakt, én ondertussen ook nog een ander perspectief kunt nemen.’ (participant 7)

Professionele betrokkenheid vroeg daarom om een genuanceerde en voortdurende zelfreflectie om zowel de therapeutische relatie als het eigen functioneren te bewaken.

Persoonlijke en professionele identiteit in de therapeutische relatie

Binnen het spanningsveld van afstand en nabijheid speelde de persoonlijke en professionele identiteit van de kinderpsychiater een cruciale rol. In interviews werd duidelijk hoe kinderpsychiaters voortdurend afwogen hoe zij zich als persoon positioneerden binnen hun professionele rol. Deze afwegingen leidden tot keuzes aangaande de afbakening tussen privé- en werkleven en omtrent het bewust omgaan met zelfonthulling.

Afbakening tussen privé en werk

Kinderpsychiaters benadrukten het belang van duidelijke grenzen tussen privé- en werkleven. Het beschermen van het eigen gezinsleven en de persoonlijke levenssfeer stonden hierbij centraal. In toevallige ontmoetingen met patiënten buiten de behandelcontext hielden participanten het contact vaak bewust kort en formeel, om de professionele relatie af te bakenen:

‘Als zij ‘Dag’ zeggen tegen mij, zeg ik ‘Dag’ terug. Maar als zij niks zeggen, ga ook niks zeggen. (…) Vanuit oké, in deze omstandigheid kennen we elkaar niet en hebben we een andere positie.’ (participant 3)

Participanten vermeden bovendien om therapeutische trajecten aan te gaan met kinderen en/of ouders uit hun eigen sociale kring en gingen geen vriendschappelijke relaties aan met patiënten. Voor één kinderpsychiater met een thuispraktijk bleek de vrees voor grensvervaging minder problematisch dan verwacht.

‘Ik werk in mijn eigen huis. Ik had daar in het begin veel schrik voor, maar ik heb daar nu nog nooit een probleem mee gehad, maar werkelijk nog nooit. (…) Er heeft eigenlijk nog nooit iemand onverwachts aan mijn deur gestaan.’ (participant 4)

Sommige meer ervaren participanten benoemden dat zij mettertijd meer vertrouwen hadden ontwikkeld in het bewaken van deze balans tussen privé en werk.

Zelfonthulling als professionele afweging

Naast de afbakening tussen privé en werk stonden kinderpsychiaters ook uitgebreid stil bij hoeveel zij over zichzelf deelden binnen de therapeutische relatie. Waar sommige deelnemers hun privéleven sterk afschermden, deelden anderen zorgvuldig geselecteerde persoonlijke informatie zoals woonregio, leeftijd, algemene interesses en eventueel eigen ervaringen in het ouderschap.

Deze voorzichtigheid rond zelfonthulling vloeide voort uit overwegingen zoals het beschermen van eigen privéleven, het handhaven van de professionele rol, het vermijden van eventuele kwetsuren bij de patiënt, en het bewaken van de therapeutische ruimte.

‘Heel specifiek in de forensische tak, je wilt niet dat ze ineens voor uw deur staan.’ (participant 5)

‘Ik zal niet vertellen aan de jongeren die eigenlijk geen thuis hebben of die door niemand graag gezien worden, hoe leuk we hun (eigen kinderen) verjaardag hebben gevierd.’ (participant 7)

‘Het gesprek is er voor hen.’ (participant 1)

Tegelijkertijd werd zelfonthulling soms bewust ingezet om ervaringen te normaliseren of (h)erkenning te bieden, wat nabijheid bevorderde.

‘Ik vind dat voor de patiënt niet relevant om te weten hoe mijn leven eruitziet. Wanneer dat ik dat zowel een keer laat vallen, is dan meer vanuit een herkenning of erkenning.’ (participant 8)

‘Dat ouders voelen dat ik ook mens ben van vlees en bloed, dat ik soms ook worstel met mijn kinderen.’ (participant 9)

Eén deelnemer beschreef hoe hij zich soms bewust kwetsbaar opstelde, vanuit het besef dat ‘hoe hij erbij zit als therapeut’ invloed had op afstand-nabijheid.

‘Daar ga ik wel ook steeds bewuster mee om… om soms wel iets te benoemen: ‘Ik heb echt heel slecht geslapen’ of ‘Er is privé veel aan de gang, dus ik zit niet altijd even alert erbij op dit ogenblik’. (…) Ik denk dat we ons daar goed bewust van moeten zijn, van hoe dat je erbij zit en dat dat impact heeft op die afstand-nabijheid. En dat het wel helpend kan zijn om daar iets van te benoemen.’ (participant 2)

Arts als mens

Kinderpsychiaters benadrukten dat hun ‘mens’-zijn – vermoeidheid, levenservaringen en eigen persoonlijkheid – onvermijdelijk doorwerkte in de therapeutische relatie. Sommigen neigden van nature meer naar nabijheid, anderen voelden zich minder comfortabel bij te grote nabijheid (‘ik ben niet hangerig en knuffelig’, participant 10). Ook persoonlijke valkuilen speelden een rol: sommige artsen herkenden bij zichzelf een neiging tot ‘te grote nabijheid’ (participant 3), terwijl anderen eerder ‘te grote afstand’ (participant 1) hielden. Daarbij kon persoonlijke affiniteit met bepaalde problematieken de afstand-nabijheid beïnvloeden. Participant 2 vertelde: ‘Die echte eetstoornissen… ik kan daar echt heel moeilijk mee om.’

Emotionele resonantie ontstond wanneer verhalen van patiënten elementen raakten uit het eigen levensverhaal of gezin. Zo beschreef een deelnemer het eigen kind te herkennen in een casus:

‘Door het verhaal van mensen die iets vertellen wat kan lijken op een stukje eigen geschiedenis… Dan voel ik dat dat soms meer raakt dan andere verhalen.’ (participant 1)

‘Dat gaat hier precies over mijn kleine. Niet dat ik mij niet professioneel kan opstellen, maar dat wordt zo ineens van ‘pfoeee’. Ja, amai, dit is wel heel herkenbaar. (…)’ (participant 5)

Dergelijke persoonlijke ervaringen konden confronterend zijn, maar ook een bron van verrijking. Enkelen benoemden dat eigen levenservaringen hun vermogen tot nabijheid en erkenning binnen de therapeutische relatie vergrootten:

‘We hebben ook onze issues en twijfels rond ontwikkelingsdiversiteit bij onze kinderen. (…) Maar ik vind veeleer dat het veel erkenning biedt, en dat ik naarmate ik ouder word veel meer eigen voorbeelden geef, zonder ze persoonlijk te maken.’ (participant 7)

Dit thema onderstreepte de waarde van erkenning van het eigen mens-zijn, en van inzicht in wie men zelf is, alsook hoe men gevormd is door levenservaringen. Bewustzijn van eigen sterktes en valkuilen, maar ook zelfzorg – in het bijzonder in periodes van vermoeidheid of stress – waren essentieel, aangezien deze rechtstreeks van invloed konden zijn op de therapeutische relatie.

Professionele rol en klinische opdracht als kader voor afstand-nabijheid

Tot slot werd de mate van afstand-nabijheid mede bepaald door de professionele rol en de aard van de klinische opdracht waarin het contact plaatsvond. Kinderpsychiaters kwamen op verschillende manieren in contact met patiënten, wat gepaard ging met uiteenlopende verwachtingen omtrent nabijheid. Kortdurende, laagfrequente en/of minder diepgaande ambulante trajecten boden doorgaans minder ruimte tot nabijheid. De professionele rol van observator bij diagnostiek, expert bij medicamenteuze follow-up of coördinator bij casemanagement, impliceerde een grotere professionele distantie: ‘Wij staan aan de andere kant en wij kijken naar wat jullie doen’ (participant 6).

Binnen residentiële, multidisciplinaire setting ervoeren kinderpsychiaters vaker een zekere afstand in hun patiëntencontact, in vergelijking met leefgroepbegeleiders of psychotherapeuten, ‘die veel meer nabij komen te staan, respectievelijk in het dagelijkse leven en de interne belevingswereld van de jongere’ (participant 6). De manier waarop kinderpsychiaters deze afstand ervoeren, verschilde van persoon tot person. Waar de ene participant medicatiecontrole als duidelijk en veilig beleefde vanwege het ‘bewaakte en afgegrensde’ karakter (participant 5), ervoer de ander dit als functioneel, weinig uitdagend en weinig voldoening biedend (participant 3): ‘Dat is zo, pfffff, die komen omdat ze moeten komen, omwille van de terugbetaling. Dat is niet aangenaam.’

Intensievere therapeutische trajecten creëerden ruimte voor meer nabijheid, maar brachten ook bijkomende verantwoordelijkheden en spanningen met zich mee. Vooral de dubbele rol als arts én als psychotherapeut werd als complex ervaren. Participant 1 omschreef dit als ‘het ophebben van verschillende petten’. Participant 3 zei daarover:

‘Dat vind ik een hele moeilijke als de arts om ook therapeut te zijn. Als therapeut, dan sta je daarnaast, op gelijke hoogte. Als arts heb je toch de eindverantwoordelijkheid en dat vind ik altijd een hele moeilijke. Dus heel hard willen balanceren.’

De veelzijdigheid van de professionele rollen die kinderpsychiaters opnamen, vergde van kinderpsychiaters dat ze voortdurend flexibel dienden te navigeren tussen deskundigheid, autoriteit en eindverantwoordelijkheid enerzijds en gelijkwaardigheid en nabijheid anderzijds. Deze rolspanningen hadden een voelbare impact op de manier waarop afstand en nabijheid in de therapeutische relatie vorm kregen.

Discussie

Met ons onderzoek belichten we zes centrale thema’s die kinderpsychiaters benoemen in hun reflecties over afstand en nabijheid in hun therapeutische relaties:

1. ruimte, tijd en beschikbaarheid als regulerende factoren;

2. fysiek contact als spanningsveld tussen goede zorg en professionele grenzen;

3. emotionele betrokkenheid als professioneel spanningsveld;

4. de wisselwerking tussen persoonlijke en professionele identiteit;

5. de arts als mens, beïnvloed door persoonlijke ervaringen en draagkracht en

6. de professionele rol en klinische opdracht als kader voor afstand en nabijheid.

Deze thema’s tonen inhoudelijke overeenkomsten met de reflecties van Gabbard en Crisp-Han binnen de volwassenenpsychiatrie, al leggen de kinderpsychiaters in onze studie minder nadruk op risico’s en meer op de inherente complexiteit van het omgaan met afstand en nabijheid.9

Een opvallende rode draad in de interviews is de voortdurende zoektocht van kinderpsychiaters om – soms bewust en soms impliciet – binnen deze zes thema’s steeds de ‘juiste’ keuzes te maken. Enerzijds streven ze naar voldoende nabijheid om een authentiek en veilige vertrouwensband op te bouwen, anderzijds waken zij over voldoende afstand om overzicht, reflectie en professionele grenzen te behouden.

Het reguleren van gepaste afstand-nabijheid blijkt een veelzijdige en sterk contextafhankelijke opdracht. De gehanteerde strategieën variëren naargelang de aard van de patiënt en diens problematiek, de persoonlijkheid van de psychiater, diens rol binnen het team en diens actuele mentale beschikbaarheid en draagkracht.

Naast de uitdagingen die gepaard gaan met het reguleren van de afstand en nabijheid, benadrukken kinderpsychiaters ook de therapeutische kansen van nabijheid, in lijn met eerder onderzoek.11,12 Nabijheid kan doelgericht worden ingezet als onderdeel van het psychotherapeutisch proces, afgestemd op de ontwikkelingsbehoeften van de patiënt en de bredere therapeutische doelstellingen. Opvallend is dat meerdere deelnemers aangeven dat het bewust toelaten van grotere nabijheid vaak als positief wordt ervaren en kan bijdragen aan een versterkt gevoel van professionele competentie.

Beperkingen

Een eerste beperking van dit onderzoek betreft de geringe vertegenwoordiging van ervaringen binnen de ambulante solopraktijk (n = 1), mogelijk als gevolg van onvoldoende gerichte rekrutering. Hierdoor blijven bepaalde perspectieven vanuit deze werksetting onderbelicht.

Een tweede beperking betreft de rolverdeling tijdens de interviews: deze werden afgenomen door kinder- en jeugdpsychiaters in opleiding, terwijl de deelnemers afgestudeerde kinder- en jeugdpsychiaters waren. Hoewel er geen directe supervisierelaties bestonden, kunnen we niet uitsluiten dat deelnemers hun ervaringen selectief hebben gedeeld, bijvoorbeeld vanuit het gevoel een voorbeeldfunctie te vervullen tegenover de interviewer.

Conclusie

In dit onderzoek identificeerden we zes thema’s die als waardevol uitgangspunt kunnen dienen voor verdere discussie en verdieping binnen de opleiding tot kinder- en jeugdpsychiater of tijdens professionele en wetenschappelijke bijeenkomsten.

Literatuur

1 Flückiger C, Del Re AC, Wampold BE, e.a. The alliance in adult psychotherapy: A meta-analytic synthesis. Psychotherapy 2018; 55: 316-40.

2 Flückiger C, Del Re AC, Wlodasch D, e.a. Assessing the alliance-outcome association adjusted for patient characteristics and treatment processes: A meta-analytic summary of direct comparisons. J Couns Psychol 2020; 67: 706-11.

3 Lambert MJ, Barley DE. Research summary on the therapeutic relationship and psychotherapy outcome. Psychother Theory Res Pract Train 2001; 38: 357-61.

4 Martin DJ, Garske JP, Davis MK. Relation of the therapeutic alliance with outcome and other variables: a meta-analytic review. J Consult Clin Psychol 2000; 68: 438-50.

5 Schwartz RS. Managing closeness in psychotherapy. Psychother Theory Res Pract Train 1993; 30: 601-7.

6 Maes J. De hulpverlener: tussen afstand en nabijheid. 2007. https://johanmaes.co/app/uploads/2020/11/De-hulpverlener-tussen-A-en-NA.pdf

7 Dubbeldam A, Mooren JH. Afstand en nabijheid – een oneindige dans van verwijdering en toenadering. Tijdschr Geestelijke Verzorg 2012; 67: 12-20.

8 Pols J. Afstand en nabijheid: Opleiding, attitude en geaardheid van psychiaters. Tijdschr Psychiatr 1990; 32: 576-82.

9 Gabbard GO, Crisp-Han H. Teaching professional boundaries to psychiatric residents. Acad Psychiatry 2010; 34: 369-72.

10 Gunasekara I, Patterson S, Scott JG. ‘What makes an excellent mental health doctor?’ A response integrating the experiences and views of service users with critical reflections of psychiatrists. Health Soc Care Community 2017; 25: 1752-62.

11 Daly KD, Mallinckrodt B. Experienced therapists’ approach to psychotherapy for adults with attachment avoidance or attachment anxiety. J Couns Psychol 2009; 4: 549-63.

12 Egozi S, Tishby O, Wiseman H. Therapeutic distance in client-therapist narratives: client attachment, therapist attachment, and dyadic effects. Psychother Res 2021; 31: 963-76.

13 Braun V, Clarke V. Successful qualitative research a practical guide for beginners. Londen: SAGE Publications; 2013.

15 Braun V, Clarke V. Thematic analysis – a practical guide. Londen: SAGE Publications; 2022.

Noot

Eveline Van Raes ontvangt een beurs voor een PhD-mandaat van het Fonds  Wetenschappelijk onderzoek (nr.: 1176725N).

Prof. dr. Marina Danckaerts gaf waardevolle begeleiding tijdens het schrijven van onze masterpaper waarop dit artikel is gebaseerd. Zonder de hulp van de geïnterviewde kinderpsychiaters was dit onderzoek niet mogelijk geweest.

Download PDF
Twitter Facebook LinkedIn Mail WhatsApp

Auteurs

Elisabeth D’hoore, kinder- en jeugdpsychiater, OBC De Berkjes; netwerkarts, WINGG.

Eveline Van Raes, kinder- en jeugdpsychiater en FWO-aspirant fundamenteel onderzoek, centrum voor contextuele psychiatrie, KU Leuven.

Nicole Vliegen, klinisch psycholoog en kinderpsychotherapeut, praktijkcentrum PraxisP, Leuven; hoogleraar Klinische Psychologie, KU Leuven, academisch verantwoordelijke voor opleiding Psychodynamische Kinderpsychotherapie.

Correspondentie

Eveline Van Raes (eveline.vanraes@kuleuven.be).

 

Geen strijdige belangen gemeld.

 

Het artikel werd voor publicatie geaccepteerd op 19-2-2026.

Citeren

Tijdschr Psychiatr. 2026;68(05):236-241

Uitgave van de Stichting Tijdschrift voor Psychiatrie waarin participeren de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie en de Vlaamse Vereniging voor Psychiatrie.

Over TvP

Over het tijdschrift Redactie Auteursrichtlijnen Colofon
Abonnementen Abonnee worden Adverteren

Contact

Redactiebureau Tijdschrift voor Psychiatrie
drs. S.L. (Lianne) van der Meer
Telefoon: 030 899 00 80
info@tijdschriftvoorpsychiatrie.nl

Copyright

Redactie en uitgever zijn niet aansprakelijk voor de inhoud van de onder auteursnaam opgenomen artikelen of van de advertenties. Niets uit dit tijdschrift mag openbaar worden gemaakt door middel van druk, microfilm of op welke wijze ook, zonder schriftelijke toestemming van de redactie.

© copyright 2026 Tijdschrift voor Psychiatrie