Sociale media en mentale gezondheid: een eenzijdig narratief?
In het publieke en beleidsmatige debat over de bescherming van de mentale gezondheid van jongeren krijgen de potentiële risico’s van sociale media veel aandacht. In december 2025 is Australië als eerste land ter wereld overgegaan tot een totaalverbod voor jongeren onder de 16 jaar.1 In België opteerde de Hoge Gezondheidsraad in dezelfde periode voor een meer gefaseerde benadering in plaats van een totaalverbod.2
Sociale media worden vaak in verband gebracht met een toename van met name internaliserende problematiek onder jongeren, terwijl tegelijkertijd gewezen wordt op mogelijke voordelen, zoals identiteitsontwikkeling en toegang tot sociale steun.3
Tegen deze achtergrond rijzen twee centrale vragen: 1. wat is de aard en sterkte van het empirische bewijs omtrent de relatie tussen socialemediagebruik en mentale gezondheid anno 2026, en 2. in welke mate en op welke wijze zijn eventuele effecten klinisch relevant voor de praktijk?
Internaliserende problematiek en slaap
Een substantieel deel van de literatuur is gewijd aan het verband tussen gebruik van sociale media en internaliserende problematiek, zoals depressieve symptomen en angstklachten. Meta-analyses wijzen op kleine effectgroottes, waarbij intensiever gebruik van sociale media samenhangt met meer gerapporteerde klachten, zowel voor depressie (r ≈ 0,10-0,11) als angst (r ≈ 0,13-0,15).4 Voor slaapproblematiek zijn deze associaties zwakker en minder consistent, met overwegend kleine verbanden (r ≈ 0,08-0,11). In contrast hiermee vertoont problematisch gebruik van sociale media sterkere en consistentere associaties, waaronder depressie (r ≈ 0,30), angst (r ≈ 0,28) en slaapproblematiek (r ≈ 0,18-0,19). Problematisch gebruik verwijst hierbij naar een multidimensioneel concept van excessief en dwangmatig gebruik dat dagelijkse activiteiten belemmert en sociale verplichtingen en preoccupatie met onlineaanwezigheid met zich meebrengt.
Hoewel de richting van de associatie nog niet definitief is vastgesteld, suggereren longitudinale studies dat intensiever gebruik van sociale media voorafgaat aan een lichte toename in internaliserende klachten, terwijl er minder consistent bewijs is voor de omgekeerde richting. Beperkingen binnen de literatuur zijn het gebruik van zelfrapportagelijsten, heterogeniteit in de operationalisatie van ‘sociale media’ (waarbij in frequentie en inhoud grote verschillen bestaan) en een gebrek aan experimentele onderzoekdesigns. Tot slot is het van belang om gebruik van sociale media niet geïsoleerd te beschouwen, maar in samenhang met bredere sociale determinanten van mentale gezondheid, zoals sociaaleconomische ongelijkheid en jeugdtrauma.5
Effecten op cognitief functioneren
Een andere veelbesproken vraag betreft de invloed van sociale media op cognitief functioneren. Het lijkt dat deze effecten sterk afhangen van de context, waaronder het type platform en de intensiteit van het gebruik. Met name korte video’s worden in verband gebracht met verminderde aandacht en verhoogde impulsiviteit.6 Tegelijkertijd kunnen sociale media, afhankelijk van de inhoud en de mate van interactie, ondersteuning bieden in de communicatieve vaardigheden en taalontwikkeling.7 Ook hierbij is een beperking dat door gebruik van crosssectioneel opgezette onderzoeken de richting van de associatie niet kan worden bepaald. Longitudinale studies ontbreken grotendeels, waardoor de impact van langdurig en intensief gebruik op cognitief functioneren onduidelijk blijft.
Identiteitsvorming en sociale steun
In een levensfase waarin identiteitsvorming en aangaan van nieuwe sociale ervaringen centraal staan, laten (doorgaans) kwalitatieve studies zien hoe sociale media een betekenisvolle functie kunnen vervullen. Actieve betrokkenheid met onlinevrienden kan gevoelens van verbinding en sociale inbedding versterken.8,9 Daarnaast bieden digitale platformen toegang tot sociale steun, gemeenschapsvorming en informatie, met name voor jongeren die zich offline gemarginaliseerd voelen (bijvoorbeeld op basis van seksuele oriëntatie of chronische aandoeningen).9 Sociale media kunnen verder bijdragen aan de verspreiding van gezondheidsinformatie, mits de betrouwbaarheid ervan kritisch wordt geëvalueerd.
Cruciaal is om ‘schermtijd’ en ‘gebruik van sociale media’ niet als homogene determinanten te beschouwen. Om de effecten van het gebruik te begrijpen moet er voldoende oog zijn voor de context: wie is de gebruiker, hoe worden sociale media gebruikt en welke functie dient dit? Relationeel gebruik van sociale media (interactie en communicatie) wordt vaker geassocieerd met positieve uitkomsten dan passief consumptief gebruik.10 Deze resultaten wijzen op een multidimensioneler perspectief, waarin individuele factoren, gebruikspatronen en omgevingskenmerken gezamenlijk bepalen hoe socialemediagebruik samenhangt met psychisch functioneren.11
Implicaties voor de klinische praktijk
Voor de klinische praktijk betekent dit dat schermtijd niet louter als risicogedrag of in analogie met intoxicaties moet worden bevraagd, maar veeleer als een contextuele factor binnen het bredere psychosociaal functioneren. Een uitgebreide exploratie van de aard van het gebruik, inclusief inhoud, de duur en met name de functie, kan verhelderen óf het gebruik van sociale media problematisch is en in hoeverre aandacht hiervoor moet worden geïntegreerd in het behandelplan. Een benadering die uitgaat van nieuwsgierigheid en begrip voor de betekenis die digitale interacties hebben, vergroot de kans op openheid en samenwerking. Volledige restrictie of eenzijdige focus op reductie van schermtijd kan bovendien spanning creëren met ontwikkelingsopgaven die kenmerkend zijn voor de adolescentie, zoals het streven naar autonomie en sociale integratie met leeftijdsgenoten.
Conclusie
Het empirische bewijs laat zien dat algemeen gebruik van sociale media zwak samenhangt met depressie, angst, slaapproblemen en mogelijke cognitieve effecten, terwijl problematisch gebruik duidelijk sterkere associaties vertoont. De effecten van het gebruik van sociale media hangen sterk af van de context, het type platform en de functie van het gebruik, niet alleen van de duur. Sociale media kunnen daarnaast bijdragen aan identiteitsvorming, sociale steun en ontwikkeling van communicatieve vaardigheden.
Voor de klinische praktijk betekent dit dat terughoudendheid geboden is bij algemene oordelen en standaardadviezen; problematisch gebruik moet actief worden gesignaleerd en bespreekbaar gemaakt worden, terwijl ook ruimte blijft voor de positieve functies van sociale media. Longitudinale studies zijn nodig om de effecten op langere termijn beter te begrijpen en om te identificeren welke jongeren het meest kwetsbaar zijn voor de risico’s.
Literatuur
1 Wijers M. Socialemediaverbod Australië inspireert andere landen, maar effect nog beperkt: NOS; 2026 https://nos.nl/artikel/2602613-socialemediaverbod-australie-inspireert-andere-landen-maar-effect-nog-beperkt.
2 Hoge Gezondheidsraad. De Hoge Gezondheidsraad roept op tot een betere bescherming van jongeren bij het gebruik van schermen en in het bijzonder sociale media. 2025. www.hgr-css.be/de-hoge-gezondheidsraad-roept-op-tot-een-betere-bescherming-van-jongeren-bij-het-gebruik-van-scherme.
3 Zinkstok J. Tieners, schermen en smartphones: wat zegt de wetenschap? Tijdschr Psychiatr 2024; 66: 63-5.
4 Ahmed O, Walsh EI, Dawel A, e.a. Social media use, mental health and sleep: A systematic review with meta-analyses. J Affect Disord 2024; 367: 701-12.
5 Kirkbride JB, Anglin DM, Colman I, e.a. The social determinants of mental health and disorder: evidence, prevention and recommendations. World Psychiatry 2024; 23: 58-90.
6 Nguyen L, Walters J, Paul S, e.a. Feeds, feelings, and focus: A systematic review and meta-analysis examining the cognitive and mental health correlates of short-form video use. Psychol Bull 2025; 151: 1125-46.
7 Naik VS, Mathias EG, Krishnan P, e.a. Impact of social media on cognitive development of children and young adults: a systematic review. BMC Pediatr 2025; 25: 826.
8 Vaingankar JA, van Dam RM, Samari E, e.a. Social media-driven routes to positive mental health among youth: qualitative enquiry and concept mapping study. JMIR Pediatr Parent 2022; 5: e32758.
9 Nagata JM, Huang O, Hur JO, e.a. Health benefits of social media use in adolescents and young adults. Curr Pediatr Rep 2024; 13: 22.
10 Marciano L, Ostroumova M, Schulz PJ, e.a. Digital media use and adolescents’ mental health during the Covid-19 pandemic: a systematic review and meta-analysis. Front Public Health 2021; 9: 793868.
11 Agyapong-Opoku N, Agyapong-Opoku F, Greenshaw AJ. Effects of social media use on youth and adolescent mental health: a scoping review of reviews. Behav Sci (Basel) 2025; 15: 574.
Auteurs
Jakob van Gaalen, arts in opleiding tot psychiater, GGZ inGeest, Amsterdam; promovendus, afd. Psychiatrie, Amsterdam UMC, Vrije Universiteit, Amsterdam.
Correspondentie
Jakob van Gaalen (j.vangaalen1@amsterdamumc.nl).
Geen strijdige belangen gemeld.
Het artikel werd voor publicatie geaccepteerd op 31-3-2026.
Citeren
Tijdschr Psychiatr. 2026;68(05):213-214