Home

Tvp20 12omslag kijk verder

Tijdschrift voor Psychiatrie 49 (2007) 7, 483 - 484

Psychoanalyse

Voorbij Oedipus? Twee psychoanalytische verhandelingen over het oedipuscomplex

Haute, P. van, & Verhaeghe, P.

Uitgeverij Boom, Amsterdam 2006, ISBN 9085061539, € 21,50

In de huidige psychoanalyse is de centrale positie van het oedipuscomplex niet meer vanzelfsprekend. Naargelang de school waartoe de analyticus behoort, krijgt het oedipale een andere invulling. Is het een complex waarbij de vader beschermend tussenkomt tegen het driftmatige gevaar dat te maken heeft met het verlangen van het kind naar de moeder (Freud) of gaat het gevaar uit van de moeder die (te veel) geniet van haar kind (Lacan)? Dit is de vraag die Verhaeghe zich stelt. Tevens onderzoekt hij de raakvlakken van de lacaniaanse opvatting over het imaginaire met de hechtingstheorie. Wezenlijk voor het oedipuscomplex is de overgang van het duale naar het triangulaire en de erkenning van een structureel tekort, op grond waarvan verschuiving en keuze mogelijk worden binnen de subjectwording. Volgens Verhaeghe zijn de functies van de oedipale periode identiteitsverwerving en regulering van het genot. Dit biedt hem de gelegenheid even stil te staan bij Lacans theorie van de jouissance. Het essay van Van Haute is voor niet-lacaniaanse lezers veel toegankelijker. Hij vraagt zich af hoe we de hechtingstheorie verzoenen met het oedipuscomplex. Het kind moet volgens hem een antwoord formuleren op het fundamentele gebrek aan afstemming tussen zijn wereld en die van de volwassene. Aan dit gebrek aan afstemming valt niet te ontsnappen. Het is bepalend voor de menselijke subjectiviteit. Enerzijds moet het kind afstand nemen van een type relatie met de zorgende omgeving die in wezen niet seksueel is. Deze eerste hechtingsrelatie is om structurele redenen onbevredigend. Binnen deze oorspronkelijke relatie brengen volwassenen seksuele betekenissen in die het kind als enigmatisch beleeft. Zowel de jongen als het meisje wenden zich af van de moeder. De vader fungeert als steunpunt waarop het kind zich kan richten nadat het zich van de moeder afkeert. Anderzijds moet het kind een eigen plaats innemen waardoor het zich tegelijkertijd losmaakt van wat het ook als de willekeur van de wereld van de volwassenen ervaart. Dit boek is de neerslag van een filosofisch getint theoretisch debat waarin opvattingen van Freud en Lacan geplaatst worden tegenover de hechtingstheorie van Bowlby en Fonagy, Balints theorie over de primaire objectliefde en de theorie van een veralgemeende verleiding van Laplanche. We lezen interessante speculaties maar deze worden niet geïllustreerd met klinisch materiaal. De talrijke voetnoten maken de complexe theoretische bespiegelingen wel begrijpbaar. Jammer dat dit geschrift los staat van de kliniek.

M. Hebbrecht