Home

Omslag kijk verder

Tijdschrift voor Psychiatrie 53 (2011) 7, 489 - 490

De egotunnel

Neurowetenschappen

De egotunnel. Hersenonderzoek en de mythe van het zelf (vert. Jan Braks)

Metzinger, T.

De Arbeiderspers, Amsterdam 2010 308 pagina’s, isbn 978-90-295-7186-9, € 22,50

Thomas Metzinger, hoogleraar Filosofie aan de universiteit van Mainz, licht omstandig en magistraal toe waarom hij af wil van het klassieke begrip ‘zelf’. Hij stoelt zijn uiteenzetting op een wisselwerking tussen fenomenologische beschrijving en neurobiologische inzichten.

De bewuste ervaring van het zelf steunt op een patroonvorming van neuronale activiteit op een niveau van hoge complexiteit, opgebouwd vanuit de zelfdynamiek van hersenprocessen. Dit leidt tot de vorming van een fenomenaal zelfmodel dat de overlevingsbelangen van het organisme efficiënt kan dienen. Vele levende organismen werden door de evolutie voorzien van een wereld- en een zelfmodel. Het menselijk fenomenale zelfmodel overstijgt dat van andere diersoorten, aangezien het menselijk bewustzijn ‘binnen in zichzelf een werkelijkheid doet verschijnen. Het creëert innerlijkheid; het leefproces is zich bewust van zichzelf geworden’ (p. 29).

De mechanismen die deze modellen produceren, zijn ‘transparant’. Het organisme is niet in staat hun tussenkomst op te merken. Het ontbeert daarom de mogelijkheden om zichzelf rechtstreeks te kennen. Mensen starten hun leven als ‘naïeve realisten’, niet in staat om op intuïtieve wijze los te komen van de overtuiging dat hun fenomenale zelfbeeld een deel van de werkelijkheid is. Maar subjectieve ervaring is slechts ‘een biologische dataformat’ (p. 242), het ego slechts ‘een activeringspatroon in je centrale zenuwstelsel’ (ib.). Het zelfgevoel is gemakkelijk te misleiden, zoals de rubberhandillusie en de vollediglichaamillusie aantonen. Hoe betrouwbaar is een zelfgevoel dan nog? Wat betekent zo’n misleidinggevoeligheid voor zijn geloofwaardigheid? Dit zijn belangrijke vragen.

Metzinger stelt dat we het innerlijk perspectief van het ervarende zelf op de een of andere manier dienen te combineren met het uiterlijke perspectief van de wetenschap om een succesvolle bewustzijnstheorie te kunnen ontwikkelen. Fenomenale eigenschappen van het bewustzijn, lichaamsbelevingsafwijkingen van experimentele of neuropathologische herkomst, dromen, lucide dromen, buitenlichamelijke ervaringen, het bereiken van zelfloze ervaringen in meditatie of mystieke ervaringen: al deze fenomenen bevatten aanwijzingen over de ingewikkelde articulatie tussen hersenen en belevingsprocessen. Metzinger baant op geleide van dergelijke gegevens een weg naar een vruchtbare kijk op de verhouding tussen het eerste- en het derdepersoonperspectief.

De geboekte vooruitgang wordt duidelijk bij vergelijking van Metzingers bijdrage met een wat oudere filosofisch-neurobiologische beschouwing (Northoff 2000). Het zal wel geen toeval zijn dat Metzinger één van die filosofen is die experimenteel onderzoek uitwerken op zoek naar gegevens die de theoretische exploraties helpen verankeren (Blanke & Metzinger 2009; Lenggenhager e.a. 2007).

Metzinger acht ons ‘egomachines, maar zonder een zelf’ (p. 242). Inspanningen tot behoud van het traditionele concept ‘zelf’ zouden kunnen leiden tot het beschouwen van het zelf als een proces. We zijn ‘‘zelvende’ organismen’ (p. 243). Bij het ontwaken start het fysieke systeem het ‘zelvingsproces’. Het levensproces komt op een hoger niveau van complexiteit opnieuw tot zichzelf. Dit berust volledig op ‘dynamische zelforganisatie’ binnen de hersenen. Deze leidt tot een nieuwe coherente mentale structuur, het transparante zelfmodel in de hersenen. De aanname van een substantieel zelf, onafhankelijk van het lichaam, blijkt overbodig.

Metzinger wijdt de laatste drie hoofdstukken van dit boek aan noodzakelijke ethische ontwikkelingen. Ze zijn onontwijkbaar aangezien de nieuwe mogelijkheden tot beïnvloeding en uitbreiding van de waaier van bereikbare bewustzijnstoestanden niet meer terug te schroeven zijn (bijvoorbeeld Griffiths & Grob 2010). Beheersing van deze nieuwe kennis vergt brede maatschappelijke consensus over de vraag wat een goede bewustzijnstoestand is.

Hij vraagt zich af of gewenning aan het recente dichte netwerk van technische representatie- en informatieverwerkingssystemen niet zal leiden tot een eindelijk gaan begrijpen ‘wat ons bewuste sociale leven feitelijk grotendeels al altijd geweest is – een interactie tussen beelden, een in hoge mate gemedieerd proces waarin mentale modellen van personen elkaar causaal beïnvloeden. Misschien zullen we communicatie gaan beschouwen als een proces van inschatting en sturing van de dynamische interne modellen in de hersenen van andere mensen’ (p. 274).

Zijn bezorgdheid voor het feit dat aandacht een eindig product is, dat onmisbaar is om een goed leven te kunnen leiden (p. 275), verdient in een cultuur, waarin getwitter gemakkelijker en vaker opvalt dan de randvoorwaarden voor grondige assimilatie van relevante informatie, ruime weerklank.

Dit is Metzingers eerste boek voor de geïnteresseerde leek. Het is onmogelijk de inhoud in een korte boekbespreking recht te doen. Het blijft taaie lectuur, die de inspanning meer dan waard is gezien de manier waarop het de complexe en deels interactieve afhankelijkheid van de geest ten opzichte van zowel hersenen als sociale ontwikkeling indringend schetst. Het verdient een centrale plaats in de kernbibliotheek van elke psychiater die de veellagigheid van zijn of haar beroep recht wil doen.

Literatuur

Blanke O, Metzinger T. Full-body illusions and minimal phenomenal selfhood. Trends Cogn Sci 2009; 13: 7-13.

Griffiths GR, Grob CS. Hallucinogens as Medicine. Scientific American 2010; 303 (6): 52-5.

Lenggenhager B, Tadi T, Metzinger T, Blanke O. Video ergo sum: manipulating bodily self-consciousness. Science 2007; 317: 1096-9.

Northoff G. Das Gehirn. Eine neurophilosophische Bestandsaufnahme. Paderborn: Mentis-Verlag; 2000.

L. Roelens