Home

Tvp22 01 omslag kijk verder

Tijdschrift voor Psychiatrie 45 (2003) 12

Psychopathologie

Does stress damage the brain? Understanding traumarelated disorders from a mind-body perspective

Bremner, J.D.

W.W. Norton & Company, New York 2002 311 pagina's, ISBN 0 393 70345 2, $30

Heeft stress invloed op onze geest en ons lichaam? Bestaat er een wezenlijk verschil tussen geest en lichaam? Zijn er naast acute stressstoornis (ass) en posttraumatische stressstoornis (ptss) andere psychische stoornissen die we kunnen ontwikkelen naar aanleiding van traumatische ervaringen? Dit zijn de belangwekkende en intrigerende vragen waarop Bremner, directeur van het petcentrum van de Emory Universiteit en van de Mental Health Research van de Atlanta Veterans Administration, antwoord probeert te geven in het onderhavige boek, dat een aanmerkelijk zorgvuldiger redactie had verdiend. Op grond van resultaten van eigen onderzoek en dat van anderen, concludeert hij dat stress veelomvattende maar onvoldoende onderkende effecten kan hebben op onze geest en ons lichaam. Volgens Bremner is de opvatting dat er sprake is van een dualiteit van geest en lichaam een fundamentele misvatting. Voorts betoogt hij dat veel psychische stoornissen en lichamelijke ziekten - bijvoorbeeld hartziekten - door stress in de hand kunnen worden gewerkt en dat er een heel spectrum bestaat van stoornissen die met trauma samenhangen. Overigens gaat Bremner nauwelijks in op stress in het algemeen, maar concentreert hij zich op traumatische stress.

Bremner hecht veel belang aan het gegeven dat de hippocampus, een bilaterale hersenstructuur met integratieve functies ten aanzien van onder meer geheugen en emotieregulatie, kleiner is bij patiënten met ptss, vrouwen die seksuele kindermishandeling rapporteren en patiënten met borderline persoonlijkheidsstoornis, dan bij psychisch gezonde mensen. De dendritische structuur van de hippocampus takelt af bij dieren die in experimenten worden gestresseerd. Overigens is dit effect bij mensen nog niet aangetoond. Zo hadden seksueel misbruikte meisjes, alsmede volwassenen met ptss zes maanden na hun traumatische ervaring geen kleinere hippocampus dan controlepersonen. Het is mogelijk dat deze aantasting alleen optreedt bij chronische traumatisering. Als dit echter het geval is, dan kunnen de geheugendefecten en andere symptomen van niet-chronisch getraumatiseerde patiënten met ptss niet worden verklaard door hippocampale afwijkingen: iets wat Bremner wel beweert.

Ook op andere punten is Bremners betoog vatbaar voor kritiek. Hij geeft weliswaar sterke argumenten voor een spectrum van met trauma samenhangende stoornissen, maar hij maakt onvoldoende duidelijk wat de psychobiologische overeenkomsten en verschillen zijn tussen stoornissen als ass, ptss en complexe dissociatieve stoornissen. Voorts had Bremner de verhouding tussen de structuur en het functioneren van biologische hersendelen en psychische processen meer moeten verhelderen. Hij wijst bijvoorbeeld op groei van de hippocampus van bijna 5% bij herstelde ptss-patiënten en op het belang van integratie van traumatische ervaringen, maar hoe dit biologische feit en deze mentale actie zich precies tot elkaar verhouden, maakt hij onvoldoende duidelijk.

E.R.S. Nijenhuis