Home

Tvp22 01 omslag kijk verder

Tijdschrift voor Psychiatrie 45 (2003) 12

Psychopathologie

Treatment matching in alcoholism

Babor, T.F., & Del Boca, F.K. (Red.)

Cambridge University Press, Cambridge 2002 275 pagina's, ISBN 0 521 65112 3, £55

Project match (Matching Alcoholism Treatment to Client Heterogeneity) werd opgezet door het us National Institute on Alcohol Abuse and Alcoholism als het grootste behandelingsevaluatieonderzoek in de verslavingszorg. Het onderzoek nam 10 jaar in beslag. Er participeerden 1726 patiënten en 81 therapeuten, op 5 plaatsen, en het onderzoek gaf aanleiding tot meer dan 100 wetenschappelijke publicaties. Het doel van deze gerandomiseerde klinische trial was nagaan of men op basis van bepaalde patiëntkarakteristieken kan voorspellen welk type psychotherapeutische behandeling het meest aangewezen is. Hiervoor werden de patiënten toegewezen aan 1 van 3 therapeutische richtingen (cognitieve gedragstherapie, motiverende gespreksvoering en de oriëntatieaanpak van de Anonieme Alcoholisten (aa)).

De resultaten met betrekking tot de vooropgestelde matching-hypotheses vallen tegen. De 21 onderzochte patiëntkenmerken voorspellen (behalve bij woede, een sociaal netwerk dat drinken promoot en ernstige psychiatrische stoornissen) noch de meest aangewezen behandelmethode, noch de prognose. Globaal zag men wel een vermindering in frequentie en intensiteit van drinken bij de groep patiënten die deelnam aan project Match. Er was echter geen placebocontrolegroep. Er was geen consistent en klinisch relevant verschil in efficiëntie tussen de 3 behandelvormen. De prognose op lange termijn (tot 3 jaar) werd onder meer bepaald door al of niet inschakeling bij aa. Het onderzoek levert dus wel enig wetenschappelijk bewijs voor de efficiëntie van aa. Besluitend stellen de auteurs dat de onderzochte behandelingen zinvol zijn, maar dat we nog maar weinig kennis bezitten over hoe ze werken en wie er het meest baat bij heeft.

Het boek is een uitgebreid verslag van het match-project en bestaat uit drie delen. Deel 1 beschrijft de achtergrond van het onderzoek met bijzondere aandacht voor de technologie die nodig is om het verband tussen soorten van psychotherapie en soorten van patiënten die er het meest waarschijnlijk op reageren, betrouwbaar en valide te onderzoeken. Deel 2 geeft de bevindingen weer. Deel 3 bevat de conclusies en implicaties van het onderzoek.

Het gebrek aan positieve resultaten met betrekking tot de matching-hypothesen vermindert de relevantie van dit werk en de auteurs manen dan ook aan tot bescheidenheid op het vlak van indicatiestelling. Toch valt er van te leren, zeker door beleidsmakers en onderzoekers op het terrein van psychotherapie in de verslavingszorg. psychopathologie. De clinicus zal er in zijn dagelijks werk echter amper door beïnvloed worden.

E. Ceysens