Home

Omslag 2020 10 kijk verder

Tijdschrift voor Psychiatrie 52 (2010) 4

Symposia

Indicatiestelling en behandelmogelijkheden bij vroeg getraumatiseerde patiënten met comorbide (complexe) PTSS en een persoonlijkheidsstoornis

E. Dorrepaal, N. Draijer, A. Arntz, D. Bales, W. Van Den Bosch, A. Van Minnen, T. Van Balkom

S-35

achtergrond Op het voorjaarscongres van de NVvP in 2008 in Amsterdam was veel aandacht voor patiënten met persoonlijkheidsstoornissen (ps) en met vroeg trauma/ ptss (posttraumatische stressstoornis). De toenemende wetenschappelijke en therapeutische interesse voor deze vaak comorbide stoornissen is een zeer hoopgevende ontwikkeling. Zo was er een wervend goed onderbouwd betoog van Dawn Bales over mentalisation based treatment (mbt), waar in de discussie nog even werd gediscussieerd of bij sommige patiënten met een ps Linehan (dialectische gedragstherapie, dgt) toch niet beter zou zijn; Ethy Dorrepaal presenteerde de positieve resultaten van stabiliseren met psycho-educatie en cognitieve gedragstherapie bij complexe ptss, terwijl Agnes van Minnen een symposium later betoogde dat er geen excuus is imaginaire exposure uit of af te stellen. Deze afzonderlijke presentaties geven de toehoorders echter geen handvat om in de praktijk bij een patiënt met comorbiditeit zo goed mogelijk een indicatie te stellen. Vandaar dit gezamenlijke symposium. In de richtlijn persoonlijkheidsstoornissen staan naast bovengenoemde de opties transference focused psychotherapy (tfp) en schemagerichte therapie (sft), die rescripting bevat gericht op trauma, opgenomen als werkzame behandelingen bij borderlinepersoonlijkheidsstoornissen. Heeft comorbide ptss nog invloed op de keuze? De richtlijn persoonlijkheidsstoornissen beschrijft beperkte evidence naar de behandeling van patiënten met een comorbide angststoornis, met uitzondering van het afraden van benzodiazepines. cgt gericht op ptss lijkt effectief ten aanzien van de ptss-symptomen met name bij cluster C; bij ernstiger persoonlijkheidsstoornissen, cluster A en B, wordt een exclusief focus op ptss ontraden en intensiever behandeling aanbevolen, ook gericht op as-II-stoornissen. Hoe stelt een clinicus nu een goede indicatie voor behandeling bij vroeg getraumatiseerde patiënten met ptss en persoonlijkheidsproblematiek? Ook de meest recente richtlijn Angststoornissen geeft aan dat het nog onduidelijk is in hoeverre de behandelrichtlijn ptss te generaliseren is naar complexe ptss en herhaalde, langdurige en vroege traumatisering. Comorbide ps zijn in de huidige herziening niet opgenomen. Ton van Balkom, voorzitter van de multidisciplinaire richtlijn Angststoornissen, zal aspecten bespreken bij medicatiekeuze bij (vroeg getraumatiseerde) patiënten met zowel een ptss als een comorbide as-II-stoornis. Centraal in alle bijdragen en de discussie staan de volgende vragen: 1. Wanneer dient het focus op ptss en wanneer op as-II-stoornissen gericht te zijn? Welke verhouding/timing van stabiliserende en openleggende/traumagerichte interventies is optimaal? Na korte inleidingen per deelnemer zal er discussie met elkaar en met de zaal zijn. De volgende therapeutische invalshoeken zijn vertegenwoordigd: primair gericht op de persoonlijkheidsstoornis: transference focused therapy (Nel Draijer); schemagerichte therapie (Arnoud Arntz); mentalization based treatment (Dawn Bales) en dialectische gedragstherapie/Linehan (Wies van den Bosch) en primair gericht op ptss/vroeg trauma: imaginaire exposure (Agnes van Minnen); farmacotherapie (Ton van Balkom) en psycho-educatie en cognitieve gedragstherapie ter stabilisatie bij complexe ptss (Ethy Dorrepaal). stellingen 1. Er is verder onderzoek nodig om de indicatiestelling beter te onderbouwen. 2. Aandacht in de behandeling voor zowel de persoonlijkheidsproblematiek als het trauma/de ptss is van belang. 3. Alle behandelvormen maken gebruik van zowel stabiliserende als openleggende technieken.
leerdoelen 1. De verschillende psychotherapeutische perspectieven op comorbide ptss en as-II-stoornissen ten opzichte van elkaar kunnen plaatsen. 2. De kennis en leemten hierover beter in beeld hebben. 3. Beter in staat zijn op basis van informatie de indicatiestelling bij deze doelgroep te verrichten. 4. Zicht hebben op de plaats van stabiliseren versus openleggen in de behandelingen.