Home

Tvp21 02omslag kijk verder

Tijdschrift voor Psychiatrie 48 (2006) 7, 585 - 585

Psychotherapie algemeen

Gedachten uitpluizen. Cognitieve Gedragstherapie bij achterdocht en stemmen

Gaag, M. van der, Valmaggia, L., van Meer, R., & Slooff, C.

Stichting Cognitie & Psychose, Oegstgeest 2005, 300 pagina's, geen isbn, € 149,- (per pakket van 2 boeken en 1 dvd)

De nieuwste uitgave van de toolkit Gedachten uitpluizen bestaat uit een Handboek theorie, een Vaardigheden oefenboek en een dvd met instructiefilmpjes. De boeken zijn gestructureerd en makkelijk leesbaar en geven zowel theoretische achtergronden als ook praktische handvatten om een gedegen cognitief-gedragstherapeutische behandeling op te zetten en uit te voeren. In het theorieboek wordt een onderscheid gemaakt tussen wanen en hallucinaties. Er wordt achtereenvolgens stilgestaan bij de epidemiologie en de fenomenologie, en er wordt een aantal wetenschappelijke onderzoeksbevindingen besproken. Door de cognitieve gedragstherapie zou de patiënt geleerd worden een waarnemende houding aan te nemen ten aanzien van de stemmen en hallucinaties die onvrijwillig komen en gaan. In de therapie wordt gestreefd naar een afname van preoccupatie en vrees ten aanzien van bovengenoemde symptomen. De auteurs gaan ervan uit dat reeds aanwezige coping-strategieën van de patiënt weliswaar op korte termijn een gevoel van controle geven, maar dat ze de lijdensdruk niet blijvend kunnen verlagen. Ten slotte wordt ingegaan op de prevalentie en behandelaccenten ten aanzien van mogelijke comorbiditeiten. Het theorieboek wordt begeleid door een oefenboek, waarin de noodzakelijke vaardigheden worden beschreven en aangeleerd. Een mogelijke beperking van de beschreven methode ligt op het terrein van de indicatiestelling. Er wordt ons inziens een wat eenzijdige nadruk gelegd op het onderscheid tussen wanen en hallucinaties, waarbij de mate van lijdensdruk bepalend zou zijn bij de indicatiestelling. Echter, aangezien het merendeel van stemmen en hallucinaties voorkomt in het kader van schizofrenie, lijkt het verdedigbaar om ook andere symptomen van deze ziekte te beschouwen alvorens te starten met deze behandeling. Zo kan desorganisatie van grote invloed zijn op het behandeleffect. Tevens lijkt het in de praktijk niet altijd mogelijk om wanen en hallucinaties duidelijk van elkaar te onderscheiden. Een andere kanttekening betreft de zogenaamde continuümopvatting die de auteurs aanhangen. Deze zienswijze gaat ervan uit dat stemmen en hallucinaties voorkomen onder de gezonde bevolking en dat de wijze waarop het individu reageert op deze symptomen de mate van pathologie bepaalt. Deze opvatting is verdedigbaar, maar zeker niet de enige geldende. Concluderend kan gesteld worden dat de beschreven methode goede (deels wetenschappelijk onderbouwde) mogelijkheden biedt om deze complexe groep patiënten te behandelen, waarbij toekomstig onderzoek wellicht zal leiden tot nieuwe inzichten voor cognitieve therapie.

A.J. Laponder, W. Cahn