Home

Tvp19 012omslag kijk verder

Tijdschrift voor Psychiatrie 48 (2006) 7, 597 - 598

Varia

200 Jahre Psychiatrie an der Universität Leipzig. Personen und Konzepte

Angermeyer, M.C., & Steinberg, H.

Springer, Heidelberg 2005, 296 pagina's, ISBN 3 540 25075 1, € 32,-

Rond 1800 wordt de psychiatrie een vak. Dat gebeurt op het vasteland van Europa in het Italiaanse Florence, het Franse Parijs, en ook in het Duitse Leipzig. Op 20 mei 1806 houdt Johann Christian August Heinroth daar in een donkere, vochtige kelder zijn eerste college voor studenten. Vijfenhalf jaar later is de eerste leerstoel psychiatrie in Duitsland een feit. De eerste honderd jaar speelt Leipzig, naast Berlijn, een toonaangevende rol in de Duitse psychiatrie. Daarna wordt die leidinggevende positie overgenomen door München. Twee recent verschenen boeken bespreken de roemruchte geschiedenis van deze twee universiteiten van Leipzig en München. Het boek van Angermeyer en Steinberg heeft zeven hoofdstukken waarvan de eerste vier vanuit de geschiedenis bezien het meest interessant zijn. Achtereenvolgens komen Heinroth, Flechsig, Kraepelin en Möbius aan de orde, waarbij de eerste en de laatste de meeste pagina's krijgen toegewezen. De levensloop van Heinroth en die van Möbius worden uitgebreid behandeld, evenals hun psychiatrische werk. Heinroth (1773-1843), zoon van een chirurg en opgeleid in Leipzig en Wenen, wilde aanvankelijk theoloog worden, maar besloot vervolgens toch de opleiding tot arts af te maken. Maar de theologie bleef in zijn werk doorschemeren. Hij was geobsedeerd door de zonde en meende dat psychiatrische patiënten eigenlijk kozen voor de zonde. Zelfs zijn tijdgenoten waren daar niet blij mee en zijn grote Lehrbuch der Störungen des Seelenlebens (1818) werd dan ook al snel niet meer gelezen. Geen grotere tegenpool van de romantische Heinroth dan zijn opvolger Paul Flechsig (1847-1929), zoon van een dominee, maar wars van alle theologie. Zijn grote werk lag dan ook niet in de kliniek maar in het neuroanatomisch laboratorium waar hij de hersenen in kaart bracht. In Flechsigs tijd had Wilhelm Wundt (1832- 1920) in Leipzig het eerste experimentele psychologisch laboratorium en de jonge Emil Kraepelin (1856-1926) was als gymnasiast al in Wundt geïnteresseerd. In 1877 heeft hij voor het eerst contact met Wundt. In 1882 krijgt hij de mogelijkheid zijn proefschrift te schrijven onder Flechsig. Kraepelin is eigenlijk helemaal niet geïnteresseerd in de hersenanatomie, maar accepteert omdat het hem de mogelijkheid biedt verder te werken in het laboratorium van Wundt. Wundt komt slechts terzijde in dit boek voor, maar het conflict dat tussen Kraepelin en Flechsig ontstaat des te meer. Beiden hebben geheel verschillende interesses.

Kraepelin denkt dat Flechsig hem opdracht geeft een experimenteel psychologisch laboratorium te beginnen en bestelt daarvoor de benodigde apparatuur. Hij heeft Flechsig totaal verkeerd begrepen en Flechsig richt vervolgens een nieuw hersenanatomisch laboratorium in. Het conflict escaleert en Flechsig verwijt Kraepelin nalatigheid in zijn klinische werkzaamheden. Kraepelin wordt ontslagen. Zijn proefschrift dreigt nu in het honderd te lopen, maar dan steken Wundt en Wilhelm Erb een helpende hand toe. Flechsig probeert dat nog te verhinderen: vergeefs. Het verhaal van Kraepelin is verder bekend. Dat in het boek van Hippius e.a. over de universiteitskliniek in München Kraepelin centraal zal komen te staan zal niemand verbazen. Terwijl het boek van Angermeyer en Steinberg zich concentreert op enkele beroemde figuren uit Leipzig proberen Hippius e.a. vooral de nadruk te leggen op het gevecht om in München een goede en moderne universiteitskliniek van de grond te krijgen. Daarvoor worden de voorgangers van Kraepelin geschetst, van wie Bernard von Gudden, die de Beierse koning Ludwig II onbekwaam verklaarde en samen met hem verdronk in de Starnbergersee, de meest markante is. Het is echter zonder meer de verdienste van Kraepelin geweest zowel een universiteitskliniek als een prachtig onderzoeksinstituut te realiseren, waarbij hij zich omringde met grote talenten zoals Alois Alzheimer. Het is geen wonder dat Leipzig enigszins in de vergetelheid is geraakt, terwijl München wereldfaam verwierf. Beide boeken vormen een bron van saillante informatie over de begintijd van de Duitse psychiatrie, maar gemakkelijk leesbaar zijn ze niet. Integendeel, het boek over Leipzig is saai en taai, het boek over München literair gezien nogal mager. Desondanks kan de historisch geïnteresseerde psychiater ze niet missen.

J.E. Hovens